Op deze pagina vindt u verhalen en herinneringen aan de familie Kooi, zoals die door mij of door anderen op schrift zijn gesteld. Graag ontvang ik nog veel meer herinneringen, zodat die aan deze pagina kunnen worden toegevoegd.

INHOUD:

1. Herinneringen aan mijn grootvader Simen Simens Kooi, door Simen (Siep) Kooi (* 1941)

2. Herinneringen aan mijn grootvader Pieter Jans Kooi,van Anje Ida Hekkema (* 1913)

3. Reconstructie van een daglonershuisje - Greedeweg 7, Roodeschool, door Siep Kooi

4. Herinneringen van Fré Swijghuizen (* 1920)

5. Herinneringen van Fred Kooi (* 1941)

6. Armoede op het Hoogeland - verhaal/onderzoek van Tonnis Kooi (* 1918)

7. Het cafe van Lub Kooi in Godlinze (* 1884)

8. Oorlogservaringen van Johan Peter Engel Kooi (* 1929)

9. Brief van Bert Kooi, dd 24 januari 1998 (* 1930)

10. Herinneringen aan mijn grootvader Klaas Kooi, van Mientje Knooren-Kooi (* 1938)

11. Herinneringen van Alje Melle Kooi (* 1901), opgenomen in 'Mensen van het nieuwsblad' (1988)

 

*******************************

HERINNERINGEN AAN MIJN GROOTVADER SIMEN KOOI (1875-1970)

door SIMEN (SIEP) KOOI - (* 1941)

Simen Kooi - 18 februari 1965 - 90 jaar

Mijn grootvader Simen Kooi werd geboren op 25 september 1875 in Roodeschool. Hij was vernoemd naar zijn vader, die dezelfde naam droeg: Siemen Jans Kooi, die overleed op 14 november 1906, 75 jaar. (Zijn moeder was Wilhelmina bij ‘t Werk, overleden op 26 februari 1913, eveneens 75 jaar oud. Zij waren in Usquert getrouwd op 7 juni 1868). Voor mij - Simen Kooi, geboren op 9 juni 1941 te Leeuwarden - was opa Kooi altijd al een oude man (hij was 65 jaar, toen ik geboren werd) en mijn eerste herinneringen aan hem stammen dus uit de tijd dat hij al 70 jaar oud was. Toch zijn die herinneringen vele. Opa Kooi stierf op 15 januari 1970. Hij was toen 94 jaar, en ik 28. Ik herinner me deze gebeurtenis nog goed. Wij, mijn vrouw Janneke, de kleine Fenke - zijn achterkleinkind dus - en ik woonden toen in IJsselstein,bij Utrecht. Mijn ouders logeerden enkele dagen bij ons. Op een middag ging de bel. Ik deed open en stond oog met een politieagent die mij op formele toon vroeg of adjudant Kooi in dit pand aanwezig was. Ik antwoordde bevestigend en riep mijn vader, die naar de voordeur liep. De agent sprong in de houding, salueerde en vertelde dat hij de opdracht gekregen had hem te vertellen dat zijn vader die nacht was overleden. Wij hadden nog geen telefoon en voor mijn oom Dirk en tante Mien, bij wie opa zijn laatste jaren doorbracht, was dit de enige en snelste manier om mijn vader van het overlijden van opa op de hoogte te brengen. Op zich niet zo verwonderlijk, omdat oom Dirk eveneens bij de politie werkte en dit communicatiekanaal vanzelfsprekend achtte.

Siemen Kooi was op vrij late leeftijd op 1 april 1905 in Hoogkerk getrouwd met Hillechien de Groot, die uit Winschoten afkomstig was. Hij was 29 jaar, zij 21. Hoe ze in Hoogkerk verzeild waren geraakt is mij niet bekend. Wel dat ze in Winschoten gingen wonen, waar ruim vijf maanden later, op 20 september 1905, hun eerste kind geboren werd: Wilhelmina, mijn eerder genoemde tante Mien, die vernoemd werd naar haar grootmoeder van vaders kant: Wilhelmina bij ‘t Werk. Wat Hoogkerk betreft: dit dorp staat ook in relatie tot de 3 jaar jongere zuster van opa Kooi: Pieterke, die op 24 juni 1878 geboren werd en op 30 november 1901 trouwde met Jan Pieterman. Pieterke overleed op 17 november 1911 waarschijnlijk in het kraambed in Hoogkerk, 28 jaar oud.

Voor zijn huwelijk was Siemen Kooi het Groningse platteland ontvlucht en naar Duitsland vertrokken, waar hij ‘iets’ met paarden deed. Wat precies, weet ik niet, maar ik weet wel dat hij zijn hele leven gebiologeerd was door paarden. Eenmaal getrouwd en wonende in Winschoten was hij als koetsier in dienst van hotel Giezen tegenover het station. Een prentbriefkaart getuigt daar nog van. Op 5 november 1913 kregen Siemen en Hillechien nog een dochter, die echter doodgeboren ter wereld kwam. Waarschijnlijk waren er daarvoor enkele miskramen geweest, maar daarover werd later niet meer gesproken. Pas 10 jaar na de geboorte van tante Mien werd op 26 april 1915 een zoon geboren: Jacob Hindrik, vernoemd naar zijn grootvader van moeders kant. Siemen Kooi was toen al 39 jaar. Als familie verbaasden wij ons altijd over het grote leeftijdsverschil tussen zus en broer. Deze Jacob Hindrik zou later mijn vader worden.

Rond 1920?? verhuisde het gezin naar de stad Groningen, waar ze in verschillende huizen gewoond hebben in de Schilderswijk: H.W. Mesdagstraat, Jozef Israelsstraat. Ze huurden tamelijk grote panden en verhuurden enkele kamers aan studenten. Ik heb het idee dat het vooral oma was die daar als hospita de scepter zwaaide. Opa stond duidelijk op een tweede plan: verrichtte hand en spandiensten, deed boodschappen etc. Hij had zich dus al vroeg uit het werkzame leven teruggetrokken; zijn vrouw verdiende de kost. Ik herinner me opa als een vrij teruggetrokken, nogal gesloten en norse man van weinig woorden. Meestal zat hij in zijn rookstoel bij de kachel. Ik verbeeld me dat hij aanvankelijk ook pruimtabak gebruikte. Zijn gele tanden staan me nog helder voor de geest. Dit in tegenstelling tot oma Kooi, die door intimi Giene werd genoemd. Zij had een open en vrolijk karakter, lachte en praatte graag en zong vaak liedjes uit het Liedboek van Johannes de Heer en ging wel naar bijeenkomsten van het Leger des Heils, waar ook veel werd gezongen. Zondags gingen ze trouw naar de Martinikerk, waar ze gehuurde zitplaatsen hadden. Ik herinner me dat, als ik met hen mee ging, moest wachten tot het lampje boven de preekstoel aan of uit ging, ten teken dat de dienst over enkele minuten zou beginnen en dat dan alle plaatsen vrij waren. Meestal wist oma het zo te plooien dat ik naast hen kwam te zitten.

Oma Kooi hield vooral van gezelligheid en vaak zaten er ‘s avonds na het eten studenten en/of familieleden in de kamer. Ook mijn andere grootouders, de ‘de Vriezen’, de ouders van mijn moeder, met wie ze een goed contact hadden, kwamen er graag. Er werden dan meestal spelletjes gedaan, vooral gesjoeld. Oma zat dan aan het hoofdeinde van de sjoelbak en wanneer minder bekwame sjoelbakspelers met te weinig punten uit de bus dreigden te komen, wist ze ‘onopvallend’ met haar vingers enkele schijven naar binnen te smokkelen. Dat overkwam bij voorkeur haar zwager Scherer (Martinus Jacobus), die op 24 mei 1906 in Groningen met de jongste zuster van opa getrouwd was: Wilhelmina Kooi, die geboren was op 6 januari 1883, vernoemd naar haar moeder. Iedereen had dit in de gaten, behalve ‘Scheertje’ zelf, zoals oma hem noemde. Scheertje was meubelmaker van beroep en stond aan de wieg van het meubelbedrijf Scherer in Uithuizermeeden, dat nu nog bestaat.

De eerlijkheid gebiedt me te vertellen dat ik nooit stond te springen om bij opa en oma Kooi te logeren. Ik denk dat dit vooral te maken had met de somberheid die hun bovenwoning aan de Jozef Israelsstraat uitstraalde. Als je de lange, steile trap beklommen had, kwam je in een donkere hal, die slechts verlicht werd door deuren die toevallig openstonden en door een bovenlicht dat aangebracht was boven de trap, die naar de volgende etage leidde. Het rook er vaak naar eten, omdat oma zo’n beetje de hele dag aan het koken was voor de studenten, die bij haar in de kost waren. In de woonkamer hingen sombere gordijnen en ook het zware gordijn rond het opklapbed dat in de kamer stond, droeg niet bij tot vrolijkheid. Dit in tegenstelling tot de woning van opa en oma de Vries, die eerst in de Violenstraat woonden, waar ze een kruidenierswinkeltje hadden, en later aan de Noorderbinnensingel. Vooral dit laatste huis was zeer licht en gezellig aangekleed. Het stak hier allemaal wel erg nauw; zo moesten wij het, wat opa betrof, niet wagen om met vieze voeten binnen te komen. Door oma de Vries, die zelf geen zoons had, werd ik als oudste kleinkind schandelijk verwend. Ik kwam er graag. Op de bovenverdieping was een kamertje afgetimmerd, dat ik ‘mijn kamertje’ noemde. Ik voelde me er geweldig thuis. Logeerde ik bij opa en oma Kooi, dan was dat meestal in de zomervakantie. De studenten waren dan naar huis. Ik moest dan op een van hun kamers slapen - een wonderlijke ervaring, omdat ik bang was dat elk moment van de nacht zo’n student de kamer zou kunnen binnenstappen. Oma vermaakte zich daar altijd om en wist me te verzekeren dat dit absoluut niet het geval zou zijn. Elke nacht hoorde ik het lome, zware getik van de Friese staartklok, die in de hal hing. Deze klok was een kostbaar familiestuk, dat door Wilhelmina bij ‘t Werk in het huwelijk met mijn overgrootvader Siemen Jans Kooi was ingebracht. Voor beiden was het hun tweede huwelijk. Ik neem aan dat Wilhelmina de klok had gekregen ter gelegenheid van haar eerste huwelijk met Pieter Kiewiet op 29 oktober 1859 in Usquert. Bij haar huwelijk had zij een kind dat door Pieter gewettigd werd. Pieter overleed op 26 mei 1865, 27 jaar oud. (Wilhelmina droeg de naam van haar ongehuwde moeder: Anje Jans bij ‘t Werk). Later hing de klok, die door mijn vader vertroeteld en vaak gerepareerd werd, bij mijn ouders thuis. Sinds de dood van mijn vader op 7 maart 2001 (85 jaar oud) prijkt hij in ons trappenhuis aan de Bonairepier in Almere.

Zoals ik al zei, opa was een paardenman in hart en nieren. Op 28 augustus logeerde ik altijd in Groningen en bezocht ik met hem de paardenkeuring op de Grote Markt. Hij kende alle paardenrassen en wist daar veel over te vertellen. Ook in de kerstvakantie logeerde ik vaak in Groningen. Zo staat mij nog helder voor de geest dat ik een echt horloge van opa en oma Kooi kreeg. Opa had met een scherp voorwerp de datum achterop het horloge gegrift: 24/12/1954. Ik was dus 13 jaar en de koning te rijk. Ik herinner me dat toen ik het horloge overhandigd kreeg, oma erg verkouden was. Ze zat in haar stoel met twee punten van haar zakdoek, die ze in haar neus had gepropt. Het horloge was een Olma, gekocht in de Hema. Ik weet nog goed dat opa en oma Kooi 50 jaar getrouwd waren. Dat was dus op 1 april 1955. Ze woonden toen nog in de Jozef Israelsstraat. Oma was nogal opgewonden omdat de burgemeester zou komen om hen te feliciteren. Ik zie nog oma voor me, die in alle staten was. Op een gegeven moment verhuisden ze naar een bejaardenhuisje aan de Molukkenstraat, aan de rand van de stad. Voor opa was dat niet leuk omdat hij nu ver van het centrum vandaan was. Om nu naar de Hema in de Herenstraat of naar de Grote Markt te gaan, moest hij een hele afstand afleggen. Hij was te zuinig om met de bus of met de trolley te gaan en liep daarom de zolen van zijn schoenen. Om ze bij een schoenmaker te laten verzolen, vond hij zonde van het geld. Daarom liep hij naar de Hema om plakzooltje te kopen. Mijn vader kon zich daar altijd heel vrolijk om maken: “Het geld dat hij uitspaart voor de bus, is hij weer kwijt aan de plakzolen, die hij verslijt om helemaal naar de Hema te lopen”, zei hij vaak.

Ze zullen samen een jaar of vijf aan de Molukkenstraat gewoond hebben: oma Kooi overleed op 11 maart 1961, 77 jaar oud. Opa trok toen bij zijn dochter en schoonzoon, tante Mien en oom Dirk in. Eerst aan de Ambonstraat, later aan de Orionlaan. Hij overleed daar, zoals gezegd, op 15 januari 1970, negen jaar na het overlijden van zijn vrouw. Een verhaal dat lang de familie rondging, typeert opa Kooi ten voeten uit. Toen oma in haar laatste weken ernstig ziek was, bezochten wij haar zoveel mogelijk. Mijn vader was er getuige van dat toen opa hem uitliet er een buurvrouw langsliep en hem belangstellend vroeg hoe het met zijn vrouw was. Opa antwoordde kort en krachtig: “Daar heb je niks mee te maken, niks als nieuwsgierigheid.” En daar kon de buurvrouw het mee doen.

Opa Kooi moet veel met mij over het verleden gesproken hebben, al herinner ik mij daar jammer genoeg niet veel meer van. Een herinnering is de volgende: hij vertelde me meerdere keren dat de dominee op de kansel van het kerkje waar hij preekte over de dijk heen de zee kon zien. De gemeenteleden, die lager zaten, zagen dit niet. Tijdens een preek op een stormachtige zondag zei de dominee dat er op dat moment een schip verging en op de dijk te pletter sloeg. Onmiddellijk stonden alle gemeenteleden op en renden naar het gestrande schip. Of opa dit zelf meegemaakt had, of het van horen zeggen had, weet ik niet. Wel weet ik dat er in die omgeving geen kerkje is van waaruit je op de kansel over de dijk kunt kijken. Hoe opa aan dit verhaal kwam blijft een mysterie, maar opmerkelijk is het wel. Over mysteries gesproken Onlangs kwam ik in het boekje 'Mysteries in Groningen', opgetekend door Martijn J. Adelmund een verhaal tegen, getiteld 'De jutters van Delfzijl'. Het zou best kunnen zijn dat opa dit verhaal kende en het naar zijn hand zette. In het kort komt dit verhaal op het volgende neer: Een Appingedammer kwam voor de hemelpoort en vroeg aan Petrus om toegelaten te worden. Petrus moest hem teleurstellen. De Appingedammer mocht dan wel naar Gods wetten hebben geleefd, maar de hemel was vol. Er kon niemand meer bij. De man kon dit niet geloven en vroeg of hij door een kier van de poort even naar binnen mocht kijken. Dat mocht. Hij zag nu dat de hemel inderdaad vol was, maar wat hij ook zag waren enkele beruchte strandjutters uit Delfzijl. Hoe konden die nu in de hemel toegelaten zijn? Hij vroeg dit aan Petrus, die antwoordde dat er misschien een foutje gemaakt was. Sorry! De Appingedammer pikte dit niet en stelde voor te bewijzen dat hij strandjutters gezien had, die dus niet in de hemel thuis hoorden en hij vroeg: 'Als ik het bewijs lever dat dit strandjutters zijn en zij verlaten op mijn verzoek vrijwillig de hemel, mag ik dan hun plaats innemen?' Petrus vond dit een goed idee. Hij opende de poort weer op een kier en de Appingedammer riep luidkeels naar binnen: 'EEN SCHIP OP HET STRAND! EEN SCHIP OP HET STRAND!' Niemand reageerde, behalve de Delfzijler strandjutters die elkaar wild verdringend de hemelpoort uitrenden in de hoop als eerste op het strand aan te komen. Petrus stond ademloos toe te kijken en kon niets anders doen dan de Appingedammer binnen te laten. Er was weer plaats genoeg. Een andere herinnering is het moment van de eerste maanlanding in 1968. Toen ik daar met hem over wilde praten, weerde hij me schamper af: "En jij gelooft dat.....". Tot aan zijn dood heeft hij absoluut niet geloofd dat zoiets mogelijk was. Ook weet ik nog dat hij nooit sla at: "Sla is voor de knienen', zei hij altijd. Wel luisterde hij om half een altijd naar de Land- en Tuinbouwberichten, van het Algemeen Nederlands Persbureau: 'het ANP', zoals de nieuwslezer zei, door opa steevast becommentarieerd met: 'PAN'.

Tot slot: ik ben me nauwelijks bewust van de familieleden van opa Kooi, met name zijn broers en zusters, waarvan hij er verscheidene had. Ik noemde al de beide zusters die na hem geboren waren: Pieterke, die al in 1904 overleed, 28 jaar oud, en Wilhelmina, die in 1966 overleed, 83 jaar oud. Scheertje overleed in 1969, 90 jaar oud. Ik was toen al 28 jaar, maar ik heb er geen herinnering aan. Omdat opa’s vader Siemen Jans Kooi twee maal getrouwd geweest is, had opa veel (half)broers en (half)zusters. In totaal heeft Siemen Jans elf kinderen gekregen, die ik hieronder zal noemen in relatie tot opa Kooi. Van zijn eerste vrouw Kornelske Pieters Blok, met wie op op 8 december 1852 trouwde, had Siemen Jans zes kinderen: 1. Ettje Kooi, geboren in 1852, gestorven in 1865 (13 jaar). Opa heeft haar dus niet gekend. 2. Grietje Kooi, geboren in 1856. Zij trouwde in 1890 met Germt Hollander. Grietje overleed in 1932 (75 jaar), Germt in 1952 (95 jaar). Ze woonden in Uithuizen. 3. Jan Kooi, geboren in 1857. Hij trouwde in 1883 met Martje van der Molen. Jan overleed in 1929 (71 jaar), Martje in 1950 (92 jaar). Opa bewaarde van Jan een militair zakboekje, dat nu in mijn bezit is. Het is me niet bekend waarom opa dit zakboekje had. 4. Siepke Kooi, geboren in 1860. Zij trouwde in 1883 met Bokke Blok. Dit gezin emigreerde in 1905 naar de Verenigde Staten. Bokke overleed in Chicago in 1939 (79 jaar), Siepke in 1941 (80 jaar). Ik herinner me dat opa en oma op een gegeven moment een drukke correspondentie had met familieleden die in Burlington woorden. Opa wees mij wel eens deze plaats op een atlas aan. Misschien waren dit kinderen van Siepke en Bokke. 5. Derktje Kooi, geboren in 1863, gestorven 9 maanden later, in 1864. Opa heeft haar dus ook niet gekend. 6. Ettje Kooi, geboren op 20 april 1865, vernoemd naar haar zus Ettje, die op 1 februari van dat jaar op 13 jarige leeftijd overleden was. Deze Ettje leefde slechts 17 dagen; ze overleed op 7 mei en moeder Kornelske Blok weer 10 dagen later, op 17 mei 1865. Ze was 33 jaar.

Zoals gezegd: Siemen hertrouwde op 7 juni 1868 met Wilhelmina bij ‘t Werk. Zij kregen vijf kinderen: 7. Roelf Kooi, geboren in 1870. Hij trouwde in 1893 met Elizabeth Knol. Roelf overleed in 1944 (74 jaar), Elizabeth in 1957 (85 jaar). Ik neem aan dat er tussen opa en zijn broer Roelf vrij nauwe contacten waren. Hun kinderen waren: 1. Anje Kooi, die met Okke de Weerdt getrouwd was (Anje overleed in 1970, 65 jaar, Okke overleed in 1996, 98 jaar); 2. Wilhelmina Kooi, die met Hendrik Buitenwerf getrouwd was (Hendrik overleed in 1976, 80 jaar, Wilhelmina overleed in 1986, 88 jaar); 3. Simon-Jan Kooi, die met Loekie de Raad getrouwd was (Loekie overleed in 1988, 86 jaar. Simon-Jan overleed in 1992, 91 jaar); 4. Alje Melles Kooi, die met Lies Boorsma getrouwd was. (Lies overleed in 1995, 99 jaar. Alje overleed in 1996, 95 jaar); 5. Grietje Kooi, die met Anko Zuidema getrouwd was. (Grietje overleed in 1998, 90 jaar. Anko overleed in 1998, 91 jaar). Vaag herinner ik mij het overlijden van Grietje en Anko, neef en nicht van mijn vader. Ik weet niet zeker of mijn ouders naar hun begrafenissen zijn geweest. Veel contact was er in elk geval tussen mijn vader en zijn neven Simon-Jan en Alje. Zij waren boekhouder in de stad Groningen en mijn vader had voor zijn aanvankelijke boekhouderscarriere veel aan hen te danken. Een zoon van Simon Jan en Loeki, Roel Kooi, herinnert zich mijn vader goed. Als jongen kreeg hij eens een fietsje van hem, waar hij bijzonder trots op was. Ik herinner mij dat beide neven en hun vrouwen af en toe bij de sjoelsessies aanwezig waren. Lies liep mank, herinner ik mij. 8. Etje Kooi, geboren in 1872. Zij trouwde met Floris Spijk. Floris overleed in 1936 (67 jaar). Etje overleed in 1960 (87 jaar). Ik herinner me dat mijn vader het wel eens over tante Etje had. 9. Opa Simen Kooi, geboren in 1875. 10. Pieterke Kooi, geboren in 1878. 11. Wilhelmina Kooi, geboren in 1883.

Mijn vader heeft zijn grootouders niet gekend: Siemen Jans overleed op 14 november 1906, 75 jaar oud. Wilhelmina bij ‘t Werk overleed op 26 februari 1913, 75 jaar oud. Twee jaar later werd hij geboren. Evenmin heeft opa Kooi zijn grootouders gekend: Etje Alderts Meijer overleed op 13 april 1872, 69 jaar oud. Jan Pieters Kooi overleed op 15 april 1874, 71 jaar oud. Een jaar later werd hij geboren.

***************

HERINNERINGEN AAN MIJN GROOTVADER PIETER JANS KOOI EN ZIJN NAKOMELINGEN ANJE IDA HEKKEMA - KOOI - 94 jaar (aanvankelijk opgetekend door Simen Arent Kooi (mei 2008) en Siep Kooi (juni 2008), die de tekst uiteindelijk ook heeft aangepast en bewerkt)

Anje Ida Hekkema-Kooi - mei 2008

Ik werd geboren op 8 december 1913, als derde en laatste kind van Jan Pieters Kooi (geboren in Uithuizermeeden op 17 januari 1878) en Derktje Brondijk (geboren in Spijk, gemeente Bierum, op 18 september 1881). Mijn ouders trouwden op 16 november 1904 in Uithuizermeeden (Hij was 26 jaar oud; zij 23 jaar). Bij dat huwelijk werd een kind gewettigd, die toen al twee jaar oud was, maar dat ben ik pas veel later te weten gekomen. Dit kind was mijn oudste broer Pieter, die op 10 juli 1902 was geboren. Ik kom daar straks op terug. Drie jaar later, op 1 augustus 1905 werd mijn tweede broer geboren, Arend Kooi, die vernoemd werd naar zijn grootvader van moeders zijde, Arend Brondijk. Ik was dus een nakomertje en ben vernoemd naar mijn beide grootmoeders: Anje Kooi-Buurman en Ida Brondijk-Smit.

Nu hun huwelijk in 1904 gingen mijn ouders in .......... wonen. Daar ben ik geboren, maar een jaar of vijf daarna verhuisden we naar Kolhol, een buurtschap even ten noordoosten van Zijldijk in de gemeente ‘t Zandt. Rond 1918 woonden we op een boerderij in Kolhol, een buurtschap ten noordoosten van Zijldijk. Mijn vader was daar bedrijfsleider op een boerderij. In 1920 verhuisden we naar Roodeschool, omdat daar het huis vrijkwam van Simon Roelfs Kooi en Trientje Weert, die met een aantal kinderen en het gezin van hun oudste zoon Jan Kooi naar de Verenigde Staten emigreerde. Simon Roelfs was een zoon van Roelf Jans Kooi en Aafke Balkema, een broer van Pieter Roelfs, die met Willemina Swijghuizen was getrouwd. Dit huis staat ongeveer 50 meter vanaf de Hooilandseweg ter hoogte van huisnummer 139. Tegenwoordig is dit het Canadawegje nr. 2, een zijuitgang naar een ander weggetje. Hun dochter Jantje Kooi bleef achter; zij zou ongeveer vier weken na het vertrek van haar ouders, op 29 april 1920 (18 jaar) trouwen met de twaalf jaar oudere Marten Doornbos. Over dit huwelijk was nogal wat te doen. Marten was de zoon van de grote herenboer Doornbos waar Jantje diende op de boerderij aan de Klaas Wiersumweg nr.1. Marten en Jantje runden een kruidenierswinkeltje in Roodeschool. Als zoon van een rijke boer was dat wel een afgang.

Eind 1924 verhuisden mijn ouders en ik opnieuw. Mijn broers waren net het huis uit. Nu naar de Greedeweg nr. D1. Na de omnummering werd dat nr.7. Dit huis kwam vrij omdat Elizabeth Kooi en haar man Pieter Weessies en hun beide kinderen Anneke en Pieter naar de Verenigde Staten emigreerden. Elizabeth was de op een na jongste zuster van mijn vader. Zij was op 12 juli 1912 (25 jaar) getrouwd met Pieter Weessies, die een stuk jonger was (19 jaar). Toen Pieter Weessies mijn vader op en avond vertelde dat hij ging emigreren, stelde hij voor dat mijn ouders hun huis zouden kopen. Op de foto, waar ik als meisje van een jaar of vijftien met mijn ouders opsta, is dit huis te zien. Dit is hetzelfde huis als die van het fotootje waarop het huisje van Siemen Kooi en Wilhelmina bij ‘t Werk is te zien. Ik herken op beide foto’s het bankje dat bij de voordeur stond. Elizabeth en Pieter Weessies zijn na hun huwelijk in 1912 bij de oude tante Wilhelmina bij ‘t Werk introkken (haar man Siemen Kooi was in 1906 overleden), en daar na haar dood in 1913 blijven wonen. Mijn ouders zijn daarna niet meer verhuisd. Mijn vader werkte als boerenarbeider op de grote boerderij van ..... Maring aan de Klaas Wiersumweg. Ik bleef bij mijn ouders wonen totdat ik in in 1941 trouwde.

Een paar honderd meter bij ons vandaan woonde mijn grootvader ook in een daglonershuisje aan de Greedeweg, gelegen tussen de Klaas Wiersumweg en de Bruiningsweg in. Na het overlijden van zijn eerste vrouw Anje Buurman was hij met Anneke Veldman getrouwd. Het huisje stond zo’n beetje recht achter de boerderij van zijn grootouders Pieter Roelfs Kooi en Sypke Jans Siertema aan de Laanweg. Mijn grootouders kregen acht kinderen, van wie, zoals ik al gezegd heb, mijn vader Jan Pieters het tweede kind was. Mijn grootvader overleed op 26 september 1936, hij was toen 88 jaar. (Grootmoeder Anje Buurman was al veel eerder overleden, namelijk op 29 oktober 1890, zij was toen nog maar 33 jaar. Ze overleed in het kraambed bij de geboorte van haar achtste kind, Siementje Kooi, die echter ook erg jong overleed, op 13 november 1904; ze was toen 15 jaar oud). Toen mijn grootvader in 1936 overleed, was ik 22 jaar. Ik herinner me hem dus nog goed. Hij liep mank, waarschijnlijk omdat hij benen van ongelijke lengte had. Ik herinner mij dat hij water ging halen bij zijn neef Pieter Roelfs Kooi, die getrouwd was met Wilhelmina Swijghuizen. Misschien hadden ze geen regenput, zoals wij die wel hadden. Zij woonden aan de Laanweg, dicht bij de boerderij van Pieter Roelfs Kooi en Siepke Jans Siertsema. Pieter Roelfs was een zoon van Roelf Jans Kooi, die op 24 december 1853 getrouwd was met Aafke Balkema. (Roelf Jans was de tweede zoon van mijn overgrootouders Jan Pieters Kooi en Etjen Alderts Meijer). Wilhelmina Swijghuizen was een zuster van Mattheus Swijghuizen, die getrouwd was met een jongere zuster van mijn grootvader: Ettje Kooi. Op die manier kwamen die twee families bij elkaar (Twee neven Kooi trouwden met broer en zus Swijghuizen). Dit brengt mij op een andere herinnering. Bij mijn grootvader en stiefgrootmoeder woonde lange tijd een neef: Pieter Swijghuizen. Hij was een ‘voorkind’ van Ettje Pieters Kooi, een jongere zus van mijn vader. Voordat zij in 1907 met Mattheus Swijghuizen trouwde had zij drie voorkinderen, die zij in Duitsland had opgedaan. Pieter werd door mijn (en zijn) grootouders opgevoed. Hij zal eerst Pieter Kooi geheten hebben. Ze noemden hem later ‘Duutse Pait’, vanwege zijn onbekende Duitse vader. Toen hij een jaar of 17 was, werd hij samen met grootvader en stiefgrootmoeder voor hun huis gefotografeerd. Toen veel later iemand uit de familie van Anneke Veldman belangstelling voor deze foto bleek te hebben, heb ik Pieter eraf geknipt. Ik vond dat Pieter niets met de familie Veldman te maken had. Zo zijn er dus twee versies van deze foto in omloop: een oorspronkelijke, waar ze alle drie op staan en een ‘gekuiste’ waarvan Pieter Swijghuizen verdwenen is. Ik was dat helemaal vergeten. Ik wist ook niet dat de zoon van mijn broer Pieter: Jan Hindirk Kooi deze originele foto nog in zijn bezit had. ‘Duutse Pait’, Piet Swijghuizen dus, trouwde later met een Duitse vrouw: Gretchen heette ze. Ook zij woonden in een huisje aan de Greedeweg, naast grootvader Pieter Jans. Ik herinner mij dat er in de oorlog drie bommen bij de Greedeweg vielen, ter hoogte van de Bruiningsweg. Het gezin van Pieter hoorde de vliegtuigen overkomen, die van plan waren Emden te bombarderen. Ze besloten om in de Bokkehut, die op ongeveer 50 meter van het huis stond, te gaan schuilen. Een van de bommen viel op een hoek van het huis, waardoor een deel van het huis instortte. Ze zijn dus ternauwernood aan de dood ontsnapt. De beide huisjes zijn inmiddels afgebroken. Het huis van mijn grootouders al voor de oorlog.

Mijn beide broers trouwden veel eerder dan ik: Arend trouwde al op 9 december 1924 met Jantina Werkman. Hij was 19 jaar; zij nog maar 18 jaar. Pieter was een maand eerder naar Amerika vertrokken. (Ik kom daar straks op terug). Ik was dus eigenlijk in een klap mijn beide broers kwijt. Pieter trouwde veel later, op 22 mei 1931, met Magarethe Muller. Hij was 28 jaar, terwijl zij 22 jaar was. Magarethe was een Duits dienstmeisje, die hier in de omgeving op de boerderij van Dijkhuizen in Oudeschip werkte. Na mijn lagere schooltijd, zo omstreeks 1925, had ik allerlei kleine dienstjes bij verschillende boeren in de omgeving. ‘s Nachts sliep ik altijd thuis. In 1932 kreeg ik een vastere betrekking als dagdienstmeisje bij mevrouw Doornbos, die na de dood van haar man de grote boerderij verliet en in de grote witte villa aan de Hooilandseweg in Roodeschool ging wonen. (Nu is daar een garagebedrijf). Zij had een vrijgezelle zoon, die Alje heette. Ik heb daar negen jaar met veel genoegen gewerkt; ik verdiende 210 gulden per jaar met volle kost. Ook nu ging ik elke avond naar huis. Ik die tijd leerde ik mijn toekomstige man kennen; Ebel Hekkema. Hij was de zoon van een slager, die tevens veehandelaar was. Onze ‘verkering’ duurde zes jaar, totdat ik het tijd vond dat we eindelijk eens gingen trouwen. Dat gebeurde op 26 mei 1941 in het eerste oorlogsjaar. Ik was toen 27 jaar; Ebel was een dik half jaar jonger dan ik. We betrokken de slagerij van zijn vader in Roodeschool, waar ik zoveel mogelijk meewerkte. We kregen twee kinderen. Eerst werd op 30 september 1941 Johan Justus geboren en op 19 december 1945 kregen we Dita Anje. Johan trouwde later met Jenny Bijlsma en kwam ook in de zaak; Dita ging later samenwonen met Piet Pieterman.

Nu ga ik even terug in de tijd. Op een gegeven moment wilde mijn oudste broer Pieter naar Amerika emigreren. Velen waren hem al voor gegaan om hun positie te verbeteren, zoals dat genoemd werd. Een maand voor het huwelijk van zijn broer Arend vertrok Pieter via Southampton met het SS Majestic naar de Verenigde Staten, waar hij op 19 november 1924 aankwam. Hij was 22 jaar. Hij bezocht daar onder andere mijn nichtje Anneke Weessies in Illinois, die daar immers sinds 1912 met haar ouders woonde. Met haar correspondeerde ik regelmatig. Na vijf jaar, in 1929, kwam hij plotseling terug, juist op tijd om te gedenken dat onze ouders op 16 november 25 jaar eerder in het huwelijk waren getreden. Ik begon toen langzamerhand te begrijpen dat er in onze familie iets aan de hand was. Pieter was op dat moment immers al 27 jaar, maar ik had de moed niet om daar vragen bij te stellen. Omdat Pieter nu voorlopig bij ons in kwam wonen, maakte mijn vader boven de keldertrap een kleine bedstee, maar zijn inwoning duurde niet lang. Anderhalf jaar later trouwde hij met Magarethe. Achteraf denk ik wel eens: wat was ik toch naief in die dingen, maar ik denk dat dit bij de meeste meisjes zo was. Men praatte daar in die tijd niet over. Nu weet ik dat mijn moeder voor haar huwelijk dienstmeisje was in Polen, een gehucht even boven Spijk. De boerenzoon zal haar zwanger hebben gemaakt. Ik besef nu ook dat het vreemd is dat mijn vader de naam Pieter kreeg, als zou hij vernoemd zijn naar zijn grootvader van vaders kant: Pieter Jans Kooi. Maar dat kan helemaal niet omdat deze zijn grootvader niet was. Mijn broer kreeg de achternaam Kooi pas na het huwelijk met mijn vader. Daarvoor heette hij Brondijk. Maar het is helemaal vreemd voor mij om nu via jullie van zijn zoon Jan Hinderk Kooi uit Landgraaf te vernemen dat er blijkbaar nog iets voor mij verzwegen is. Mijn vader zou indertijd niet naar Amerika gegaan zijn om zijn positie te verbeteren, maar om naar zijn vader te zoeken. Hij voelde zich geen ‘echte’ Kooi en wilde daarom weten wie zijn echte vader was, die na zijn ‘daad’ naar Amerika gegaan was om de familie-eer te redden. Hoe kon hij als rijke boerenzoon een arm daglonersmeisje trouwen... Toen Pieter zijn vader niet vond, keerde hij na vijf jaar terug en kwam nog even bij ons wonen. Ik heb nooit geweten dat dit de werkelijke reden van zijn vertrek is geweest.

Na hun huwelijk gingen Pieter en Magarethe wonen in ons vroegere huis aan het Kalkwegje, dat later officieel tot Canadawegje werd omgedoopt. Pieter - die ‘Amerikaanse Piet’ genoemd werd, ter onderscheiding van de andere Pieters Kooi - was in Amerika geweest, tegen de grens van Canada aan. Vandaar waarschijnlijk de naam.

Zoals ik al zei hebben mijn ouders hun hele leven verder aan de Greedeweg gewoond. Mijn vader overleed eerst, op 15 november 1959. Hij was 81 jaar geworden. Mijn moeder heeft toen nog een tijdje alleen in het huisje gewoond, maar dat ging steeds moeizamer. Ze was erg astmatisch en had hulp nodig. Ze heeft toen nog een paar jaar bij ons in huis gewoond. Ik heb haar verzorgd, maar toen dat ook niet meer ging, is ze naar een bejaardenhuis in Winschoten gegaan. Daar is ze op 21 juli 1966 overleden; 84 jaar oud. Ze liggen in Oosteinde begraven met een mooie steen op hun graf. Toen mijn moeder het huis verliet, hebben mijn broers het verkocht aan mensen uit Zijldijk. Dat waren Jehovagetuigen, meen ik. Het staat er nu nog, maar ik heb gehoord dat het behoorlijk uitgewoond en vervallen is. Maar goed dat mijn ouders dat nooit hebben geweten. Zij waren zo trots op hun huisje!

Toen mijn man met pensioen ging, zijn we bij de familie Weessies in Amerika in Chicago op bezoek geweest. Ik had mijn nicht Anneke, met wie ik correspondeerde zo lang niet gezien. En paar jaar geleden ben ik nog eens geweest. Dat was vlak na de beruchte datum 11/9. Ik was toen al 90 jaar! Onlangs kreeg ik een kaart dat ze - Ann Vos heette ze daar - op 5 december 2007 was overleden. Ze was 97 jaar oud geworden.

***************

RECONSTRUCTIE VAN EEN DAGLONERSHUISJE GREEDEWEG 7 - ROODESCHOOL

door Siep (Simen) Kooi

In het fotoalbum van mijn grootouders bevond zich op een van de eerste pagina’s een piepklein fotootje van 5 x 7,5 cm, met daarop de afbeelding van een piepklein huisje, waarvan mijn grootvader Simen Kooi me wel eens vertelde dat hij daarin geboren was en als kind had gewoond. Als ik toen beter opgelet had, was er nu meer bekend geweest van het hoe, wat, waar en wanneer van dit huisje. Nu kan ik niet anders dan een poging doen het te reconstrueren. Het enige dat ik wist was dat het ergens bij Roodeschool moest zijn. Het leek mij een dijkhuisje te zijn. Nadat mijn grootouders overleden waren, kreeg het fotootje een plaats in het album van mijn ouders en na hun overlijden het mijne. Het is een fascinerend fotootje en de vraag die natuurlijk het eerst gesteld moest worden was: waar stond dit huisje precies en staat er het nog?

Dank zij mijn latere contacten met Simen Arent Kooi (* 1964) en zijn vader Siert Jan Kooi (* 1934) kwam ik niet lang geleden te weten dat het huisje vrij zeker nog bestond, al was er heel wat aan veranderd, zodat het bijna niet meer was te herkennen. Het zou staan aan de Greedeweg no.7, verborgen achter hoge ligusterhagen, op het punt waar de Laanweg overgaat in de Klaas Wiersumweg. Vrijwel tegelijkertijd stuurde Jan Hinderk Kooi (* 1931) mij een aantal kopieën van foto’s toe van familieleden. Daarbij was een foto van zijn grootouders Jan Pieters Kooi (* 1878) en Derktje Brondijk (* 1881) met daarnaast hun jongste dochter, Jan Hinderks tante, Anje Ida Kooi (* 1913), staande voor wat me een boerderijtje leek. Zij zal daarop een jaar of zeventien zijn geweest. De foto moet dus rond 1930 zijn gemaakt. Ik plaatste beide foto’s op de website waar de ‘genealogie Kooi’ langzamerhand gestalte krijgt.

Toen Simen Arent en zijn vader Siert Jan haar (inmiddels Anje Ida Hekkema-Kooi) onlangs confronteerden met de beide foto’s, kwam ze tot de ontdekking dat het om een en hetzelfde huisje ging. “Ik herken het bankje bij de deur”, zei ze, en bij nadere beschouwing van de foto’s blijkt het helemaal te kloppen. De deur met het ruitvormige raampje, de vijf steunbalkjes onder de dakgoot, het raampje rechts van de voordeur, de inspringende schuur aan de linkerkant. Ze vertelde dat haar ouders het huisje in 1924 gekocht hadden van vaders jongste zuster Elizabeth Kooi (* 1887) die met haar man Pieter Weessies (* 1893) en hun beide kinderen Anje (Anneke) (* 1910) en Pieter (*......) op punt stonden om naar Amerika te emigreren. Zij waren na hun huwelijk in 1912 bij Elizabeths tante, Wilhelmina bij ‘t Werk (* 1837) in het huisje gaan wonen, die er na de dood van haar man Siemen Jans Kooi (* 1831) in 1906, alleen woonde. Siemen Jans Kooi en Wilhelmina bij ‘t Werk zijn mijn overgrootouders en daarmee was de cirkel rond. Ik kan me voorstellen dat Wilhelmina, die in 1912 vierenzeventig jaar oud was, wel enige hulp en verzorging kon gebruiken. Mogelijk woonde Elizabeth er ook al voor haar huwelijk met Pieter Weessies. Deze situatie duurde slechts een jaar; in 1913 overleed mijn overgrootmoeder Wilhelmina bij ‘t Werk. Toen ik onlangs in de gelegenheid was (in de eerste week van juni 2008) het huisje met eigen ogen te aanschouwen, besloot ik eerst bij Anje Ida Hekkema-Kooi lang te gaan, in de hoop nog wat meer informatie te verkrijgen. Ze bleek een krasse, bejaarde dame van 94 jaar te zijn, die met haar scherpe geheugen en opgeruimde geest een helder beeld van haar jeugd kon geven. Ze had er vanaf haar elfde jaar gewoond. Zelfs toen ze als dienstmeisje in de grote witte villa van mevrouw Doornbos en haar vrijgezelle zoon Alje aan de Hooilandseweg in Roodeschool werkte (waar nu en garage is), sliep ze ‘s nachts in haar ouderlijk huis aan de Greedeweg no.7, al was het adres, voor de omnummering, toen nog Greedeweg D1 (wijk D). Dat duurde tot aan haar huwelijk met Ebel Hekkema in 1941. Haar ouders bleven er tot de dood van haar vader in 1959, die toen 81 jaar was, wonen. Moeder die steeds ziekelijker werd en steeds meer op hulp aangewezen, trok een aantal jaren bij haar dochter in, maar toen dat ook niet meer ging, verhuisde ze naar een bejaardentehuis in Winschoten, waar ze in 1966, 84 jaar oud, overleed. Haar beide zoons verkochten het huis nadat moeder vertrokken was aan Jehovagetuigen, die uit Zijldijk kwamen.

Anje-Ida Hekkema-Kooi vertelde dat het huisje aan de Greedeweg heel klein was, zoals alle daglonershuisjes, maar ze wisten toen niet beter. Het lag wat vreemd ingeklemd op een smalle strook grond tussen de Greedeweg - toen nog een zandpad - en een sloot. Je stapte zo van de weg het huis binnen. Aan de achter/zijkant van het voorkamertje waren twee bedsteden, die min of meer half boven de sloot hingen. Het was er altijd erg vochtig en ongezond. Dat was slecht voor haar moeder, die aan bronchitis leed. Daarom had haar vader later een stuk van de sloot gedempt en daarop de bedsteden uitgebouwd tot twee kleine slaapvertrekjes. Ook had hij aan de voor/zijkant van diezelfde kamer van de twee kleine ramen een gemaakt. Toen haar broer uit Amerika terugkwam, na vijf jaar weg te zijn geweest, kwam hij weer bij zijn ouders wonen. Vader maakte toen boven de kelderkast een soort bedstee waar hij kon slapen. Dat was aan de andere kant van het gangetje. Ze wist ook nog te vertellen dat haar vader het plafond omhoog gebracht had, omdat het er zo laag was. Anje Ida was nogal lang van stuk en kon er nauwelijks staan. Maar zo hoog werd het nu ook weer niet, want toen Ebel Hekkema, die later haar echtgenoot zou worden, bij hen over de vloer kwam, moest hij nog altijd zijn hoofd bukken.

De vraag bleef natuurlijk vanaf welk moment mijn overgrootvader er gewoond had, en of dit bij zijn eerste huwelijk met Kornelske Pieters Blok ook al het geval was geweest, en of alle kinderen daar waren geboren. De gegevens van de verschillende volkstellingen zouden misschien uitkomst kunnen bieden. Ik elk geval komt het huisje niet voor op de kadasterkaart van 1828. Het land waarop het gebouwd leek, behoorde toen toe aan Imme Arents van den Berg, de grote herenboer aan de Klaas Wiersumweg 9 met veel grond, bekend vanwege de grafsteen op het oude kerkhof rond de kerk van Uithuizermeeden, waarop te lezen staat hij Jacob Alderts in 1805 door een ongeluk met een paard om het leven kwam.

Op 4 juni reden Janneke (mijn vrouw) en ik de Laanweg af. Ik wees haar op de plek waar de boerderij van Pieter Roelfs Kooi en Siepke Jans Siertsema, de grootouders van mijn overgrootouders, indertijd stond. Niets herinnert meer aan die tijd. Een fantasieloos garagebedrijf maakt het moeilijk om te bedenken hoe het eens is geweest.

de verdwenen boerderij aan de Laanweg

Na ongeveer een halve kilometer kwamen we op de kruising, met aan de linkerkant een wat nieuwere woning en daar tegenover aan een betonweggetje - de Greedeweg - half verscholen achter de ligusterhaag, het huisje op nummer 7. Dit moest het zijn. We parkeerden op de oprit naar een stuk bouwland achter het huis en stapten uit. Immense stilte en verlatenheid. In de wijde omtrek was geen enkele vorm van bewoning te bekennen. We keken uit op de achter/zijkant van het huis en ik moest eraan denken hoe de vader van Anje Ida een deel van de sloot gedempt had, omdat de bedesteden er half boven hingen. Het was er nu al smal, maar indertijd moest het dus nog veel smaller zijn geweest. Ik besefte ineens dat het huisje min of meer in de berm van de Greedeweg moest zijn gebouwd. Er was natuurlijk geen geld om een behoorlijk stukje land te kopen. Dan maar in de berm en met een schok zag ik de schamele hutjes van de paria’s weer, die ik tot mijn verbijstering een paar jaar geleden overal in India langs de spoorlijnen zag. Aan de achterkant van het huisje stond achter een groot hek een oude caravan, stonden kapotte hokken, lag oud ijzer, was troep. We liepen om de haag heen, tot we een opening vonden, afgesloten door een ijzeren hekje. Een zwarte hond, die volgens de beschilderde dakpan Tanja heette, sprong woest blaffend tegen het hek op. Gelukkig bleef het dicht. We bogen ons over het hek om achter de hoge heg een stuk van de zijkant van het huisje te zien te krijgen. Het was nog net geen bouwval. Met behulp van het fotootje probeerden we er achter te komen of dit wel het juiste huis was, maar er waren nauwelijks overeenkomsten te vinden. In plaats van twee raampjes was er een groter raam te zien (dat kon dus kloppen), de deur met het ruitje was verdwenen, de balkjes onder de dakgoot eveneens, evenals de dakgoot zelf. De rechter schoorsteen was er ook niet. Wel een camera, die op het hek was gericht. Dit kon het huisje van mijn overgrootouders en van Anje Ida niet zijn, hoewel het wel nummer 7 was. Wat te doen? Ik besloot te roepen. Misschien waren we al door de camera gesignaleerd en ook de waakzaamheid van de hond moest onze aanwezigheid wel verraden, maar er kwam niemand naar buiten. Zou er iemand thuis zijn? Dat moest haast wel, omdat de deur, in het verlengde van het hek, open stond.

Net toen we op het punt stonden terug te keren, verscheen er uit het gangetje een wat oudere vrouw, die kennelijk net onder de douche vandaan kwam. Ze had haar haren gewassen en de krulspelden ingedaan. Ze vroeg wat we wilden. Ik liet haar het fotootje zien en vertelde dat mijn grootvader hier was geboren. Ze bekeek het fotootje, intussen pogend de hond tot bedaren te brengen. Ze besloot dat dit niet het huis was dat op de foto stond, maar ja ze woonde hier nog maar een jaar of 35, en de foto was heel wat ouder. Omdat we ons niet zomaar wilden laten afschepen, stelde ik nog wat vragen, maar ook die kon ze niet beantwoorden. Ze stelde ons voor binnen om te komen. Haar man (vriend?), die onlangs verlamd geraakt was, zei ze, wist er misschien meer van. Hij kon niet buiten komen. We aarzelden, maar liepen haar, na lang aandringen, toch maar achterna het gangetje door, dat zich op de scheiding tussen het woon- en schuurgedeelte bevond. De hond volgde ons nauwlettend. In vier stappen waren we aan de achter/zijkant van het huis. We sloegen linksaf en kwamen in een piepklein keukentje, waar het vlees luidruchtig stond te braden. Ook de douche bevond zich daar. Daarna sloegen we weer links af en stonden, voor dat we het wisten in een propvol kamertje, dat slechts door een klein raampje, dat op het hek waar we net doorgelopen waren, uitkeek.

Het raampje waardoor eerst Simen Jans later Jan Pieters Kooi de Greedeweg in de gaten hield.

Ze ging ons verder voor, door een smalle opening in een wand en kwamen in het voorste gedeelte van het huis. Dit alles in een paar passen, zo klein was het allemaal. Rechts voor het raam, naast de kachel, zat een man, die er als een zeventigjarige uitzag, maar later al een behoorlijk eind in de tachtig bleek te zijn. Hij begroette ons hartelijk. De vrouw legde uit waarvoor we gekomen waren en het ijs was gebroken. De man bekeek het fotootje en zei onmiddellijk met de grootste stelligheid te weten dat dit het huis was waar we ons nu in bevonden. Hij was zichtbaar geroerd toen hij het fotootje zag. “Zo moet het eruit gezien hebben voordat ik het kocht,” zei hij. Hij wist dat er aanvankelijk twee raampjes gezeten hadden, waar een groter raam van gemaakt was om meer licht in de kamer te hebben. De buitendeur was verwijderd, alsmede het tussengangetje dat toegang tot de beide kamertjes gaf. Van binnenuit konden we duidelijk de plaats zien waar de deur gezeten had. De schoorsteen had hij zelf verwijderd en de ligusterhaag geplaatst, omdat het huisje pal langs de Greedeweg lag, die toen nog een zandpad was. Ze hadden anders geen enkele pricacy. We keken onze ogen uit.

interieur - achter het bureautje de plek waar de buitendeur heeft gezeten

We gingen zitten, terwijl de vrouw, die Sina bleek te heten, intussen koffie ging zetten. De man, Bauke Veenstra geheten, vertelde honderd uit. Hij wees ons op twee deuren aan de achter/zijkant van het huis. Daar waren nu twee slaapkamertjes, maar vroeger hadden daar de bedsteden gezeten. De balkjes die het plafond moesten dragen waren nog origineel, dacht hij. Daarboven was een vlierinkje, maar daar kon je niet op. Hij had het wel eens geprobeerd, maar was er met donderend geraas doorheen gezakt. Het hele huis had toen onder een dikke laag stof gezeten. Hij had het huisje indertijd van een ‘neger’ gekocht, vertelde hij, maar hij wist niet hoelang die er had gewoond en van nog eerdere bewoners wist hij niets. Wel dat er Kooi gewoond had, maar dat zei hem verder allemaal niets. Ook vertelde hij het verhaal van de enige buurman, aan de andere kant van het weggetje. Die had zich eens van kant willen maken door in de regenput te springen. Ze hadden hem er op het nippertje uit kunnen halen; zijn lichaam was al onderkoeld. Ook wist hij te vertellen dat de buurvrouw toen sokken stopte rond een aardappel als maasbal. Ze kon dan gemakkelijk de naald in de aardappel steken om te weten waar ze was gebleven. Tenminste zo begreep ik dit verhaal. Intussen kregen we heerlijke koffie en werd de koekjestrommel op tafel gezet en hadden Tanja en de katten het zich aan onze voeten gezellig gemaakt. De tijd vloog om, maar toen ik in de gaten kreeg dat de krulspelden toch wel erg uitgezakt raakten en het duidelijk was dat die operatie door ons toedoen behoorlijk verstoord was, besloten we dat het tijd werd om op te stappen. We mochten nog even op het plaatsje kijken waar een zwart schaap stond, namen afscheid van Bauke, die de volgende dag voor onderzoek naar het ziekenhuis moest. Zijn zoon zou hem brengen. We beloofden hem een kopie van het fotootje te sturen en liepen even later langs de zijkant van het huis naar de voorkant, waar we Bauke vriendelijk zwaaiend voor het raam zagen zitten. De windveren wekten de indruk dat ze hun taak niet lang meer zouden kunnen doen en er met de eerste de beste noordwester storm zouden afvliegen. Duidelijk was nu ook te zien hoe laag de bedsteden onder het aan de achterkant uitstekende dak hadden gezeten.

De diagonale cementstreep geeft aan hoe de bedsteden hebben gezeten.

De buitenmuur was nu iets verlengd. Maar we zagen ook duidelijk hoe klein het huisje was. Hoe kon daar ooit een groot gezin hebben gewoond.... Vlak voor het linkerraam de regenput. Ik huiverde. Ik maakte wat foto’s en na afscheid genomen te hebben, liepen we terug naar de auto. Tanja vergezelde ons aan de binnenkant van de heg tot aan het eind van het terreintje waar de oude caravan stond.

Eenmaal thuis berichtte ik Jan Kooi, van wie ik de foto van Anje Ida en haar ouders gekregen had, van onze bevindingen met de vraag of hij zelf herinneringen aan het huisje had. Hij was in 1931 geboren en moest zijn beide grootouders goed hebben gekend. Hij was 27 jaar toen grootvader Jan Pieters overleed en 35 jaar toen Derktje Brondijk overleed. Misschien had hij zelfs herinneringen aan zijn overgrootvader Pieter Jans Kooi, die immers in 1936 op achtentachtig jarige leeftijd overleed. Jan was toen vijf jaar oud. Per ‘kerende post’ ontving ik een enthousiaste e-mail, waarvan ik hier enkele opmerkelijke herinneringen weergeef:

“Het huisje waar jouw overgrootouders en mijn grootouders woonden kan ik nog heel goed beschrijven. Je kwam er binnen door de achterdeur die je kon bereiken tussen de geteerde schuur en het huisje. Je kwam dan in een kleine ruimte waar mijn oma altijd op een petroleumstel kookte. Rechtdoor was een deur die naar een soort kelderkast leidde, en naar links kwam je in de woonkamer. Links in de kamer stond een kachel die niet werd gebruikt om te koken, maar alleen om de kamer te verwarmen. Naast de kachel voor het kleine raam was de vaste plaats van opa, hij kon dan door dat kleine raam de Greedeweg afkijken. Als je bij binnenkomst in de woonkamer rechts naar de deur naar het kleine gangetje liep, zag je links de voordeur (waarvoor ik eens een nieuwe heb gemaakt), en rechts had je een kleine bestede, die later als bergruimte werd gebruikt. Met het gezicht naar de oude bestede ging je naar links en kwam je in de "goede" kamer waar je alleen maar kwam als er iemand jarig was, of bij andere bijzondere gelegenheden. Rechtdoor was de schoorsteenmantel tussen twee kleine ramen waarvoor een zogenaamde vulkachel stond. In de rechterwand waren achter een houten schot twee bedsteden, met in het midden een klein kastje dat oma altijd het "drankkastje" noemde. Die was altijd op slot, want opa lustte graag een borrel, te graag eigenlijk. Links in de kamer was een groter en breder raam die mijn neef Jacob en ik hebben geplaatst. Dit is mijn herinnering aan het huisje van opa en oma Kooi”.

Verder beschreef Jan nog enkele herinneringen aan zijn grootouders en overgrootvader: “De herinnering aan mijn opa is eigenlijk niet zo'n goede. Dat komt omdat hij eens een poes heeft doodgeslagen, waar ik bij was. De reden daarvan was bijzonder vreemd. Hij had de poes geleerd om melk uit zijn etensbakje te drinken door een pootje in de melk te soppen en die dan af te likken. Ik was een keer bij opa, we waren in de schuur geweest en kwamen binnen in de woonkamer. Opa zag de poes op tafel zitten die bezig was met zijn pootje in de melkkan van de melk te snoepen. Hij pakte de poes bij de achterpoten en sloeg hem tegen de muur dood. Ik heb toen geroepen dat hij een dierenbeul was, en dat heeft hij mij mijn hele verdere leven kwalijk genomen. Oma was een lieve, zachte vrouw, en veel verstandiger dan opa. Zij las de krant en luisterde graag naar populair klassieke muziek, zoals operette. Opa kon daar niet tegen en begon dan te miauwen, en vond dat ze die "ôle opmerette" maar moest afzetten. Oma had ook grote problemen met haar gezondheid, ze leed aan een zware vorm van bronchitis. Ze had in het drankenkastje altijd snoepjes voor ons, en als ze die eens een keer niet had, dan kregen we een "klontje" (suikerkristal) Een andere herinnering is, dat mijn zus en ik rond Sinterklaas altijd een paar dagen van tevoren met een stronk boerenkool en een klomp naar de Greedeweg moesten om dat daar bij de schoorsteen in de goede kamer te zetten Een dag na Sinterklaas gingen we dan het cadeautje halen. Meestal was dat snoep, maar één keer kreeg ik een blikken garage, met kantelpoort! Een ongekend cadeau in die tijd van grote armoe. De jaren' 30. Aan mijn overgrootvader Pieter Jans heb ik ook nog vage herinneringen. Hij woonde in een soortgelijk huisje als opa en oma, ook aan de Greedeweg. Dat huisje is al voor de oorlog gesloopt. De indeling van het huisje was ook hetzelfde, maar de grote geteerde schuur kan ik me niet herinneren. Wat ik wel nog weet is dat mijn overgrootvader nogal een knorrige man was, die net als opa in diens eigen huis naast de kachel voor het raampje zat uit te kijken over de Greedeweg. In de hoek van de schoorsteenmantel stond een erg kromme wandelstok, en dat ding vergeet ik nooit. Heel af en toe kwam overgrootvader wel eens bij ons thuis, hij kwam dan door het veld gelopen, en had dan de stok bij zich. Eenmaal bij ons binnen ging hij in vaders rieten stoel zitten, wat ik helemaal niet leuk vond, want daar mocht niemand anders in zitten dan mijn vader, vond ik. Hij merkte dat denk ik en een keer toen ik bij hem in de buurt kwam, sloeg hij met die kromme stok op de grond. Ik ben toen achter een gordijn gekropen, en niet meer er achter vandaan gekomen, zolang hij nog in de buurt was. Als ik er aan denk ruik ik nog de geur van het pluche gordijn. Gek, dat zoiets je altijd bijblijft, en nu ik er over zit te schrijven komt het weer helemaal terug (een jeugdtrauma?). Wat ik me ook nog herinner is dat als we naar hem op bezoek gingen, ik op de fiets bij mijn vader voor op de stang zat waaromheen een kussen was gewonden, om mijn kleine billetjes te beschermen”.

Toen ik Jans herinneringen over zijn grootvader Jan Pieters Kooi met betrekking tot zijn afschuw van muziek las, zat ik ineens weer bij mijn grootvader Simen Simens Kooi thuis. Daar speelde zich vaak hetzelfde tafereel af. Mijn oma hield ook van muziek en zong graag, maar opa vond dat maar niets. Hij ging haar dan nabauwen en maakte daarbij vreemde grommende geluiden. Jan en Simen waren niet voor niets neven van elkaar! In hun norsheid deden ze blijkbaar niet voor elkaar onder.

Terugkijkend op deze reconstructie van een daglonershuisje kunnen we stellen dat een deel van de familie Kooi aanvankelijk bij elkaar in de buurt is blijven hangen. Ik moet daarbij denken aan een gesprek dat ik op 20 juni 2007 had met de heer Woltjer van het gelijknameige meubelbedrijf in Uithuizermeeden. Zijn vader had een boerderij aan de Oosternielandseweg, waar pootaardappelen werden geteeld, iets ten zuiden van het dorp. Hij kende verschillende Koois en vertelde dat ze een vrij gesloten front vormden. Er werd bij hen altijd van de ‘Kooiclan’ gesproken. Zo’n clan zou hier aan de Greedeweg hebben kunnen wonen.

Van het reilen en zeilen uit vroeger tijden komen we stukje bij beetje meer te weten dankzij het feit dat Pieter Jans Kooi en zijn kleindochter Anje Ida beiden nakomertjes waren. De broers van Pieter Jans overleden respectievelijk in 1902 (Roelf Jans, 74 jaar), in 1906 (Simen Jans, mijn overgrootvader, 75 jaar), in 1870 (Siert Jans, 36 jaar). Daarom komt Pieter Jans, die pas in 1936 overleed (88 jaar), wel heel dicht bij ons. Van de zoons van Simen Jans (een generatie dichterbij dus) overleed Jan in 1929 (71 jaar), Roelf in 1944 (74 jaar) en mijn grootvader Simen in 1970 (94 jaar). Dochter Wilhelmina Scherer-Kooi overleed in 1966, maar van hun kinderen leeft er niemand meer met herinneringen aan vroeger tijden. Van de zoons van Pieter Jans overleed Jan in 1959 (81 jaar), Eisse vertrok naar Amerika en Siert overleed in 1937 (52 jaar). Dochter Ettje Swijghuizen-Kooi overleed in 1943 (64 jaar). Zij kreeg een groot aantal kinderen van wie alleen de jongste, Fre Swijghuizen (op dit moment 88 jaar) nog in leven is. De oudste dochter van Jan is Anje Ida (op dit moment 94 jaar). Zij zijn de beide enige overlevenden van die generatie. Hoe de situatie in Amerika en/of Canada is weet ik (nog) niet.

Tot slot nog dit. Deze opmerkingen betreffen alleen TAK I. De andere takken zijn minder uitgebreid en daardoor overzichtelijker. Ik zal dat later uitwerken. De nakomelingen van Pieter Roelfs Kooi en Siepke Jans Siertsema (TAK I) zijn dus aanvankelijk vrijwel allemaal in de buurt van Roodeschool blijven hangen. Hun boerderij stond aan de Laanweg en de directe nazaten hebben zich eromheen gegroepeerd. De jongste zoon, Lubbert Pieters Kooi erfde de boerderij en bleef er na het overlijden van zijn moeder Siepke Jans in 1853 als landbouwer samen met zijn vrijgezelle broer Siert en zijn vrouw Trijntje Jacobs Jensema, met wie hij pas op 38-jarige leeftijd trouwde, wonen. Op zich een ongebruikelijke gebeurtenis, die misschien mede verklaard kan worden door het feit dat de oudste zoon, Jan Pieters Kooi, die niet naar zijn grootvader van vaders kant vernoemd was, maar naar grootvader van moeders kant. Naar de redenen hiervan kan men alleen maar gissen (misschien geeft het feit dat Jan al twee maanden na het huwelijk van zijn ouders geboren werd een aanwijzing). Hoe het ook zij, Jan Pieters deelde in 1853 niet in de erfenis. Hij was in 1823 met Etjen Alderts (Meijer) getrouwd, de dochter van Anje Alderts, een ongehuwde moeder, die nog een ander kind van een onbekende vader op de wereld had gezet (misschien nog een aanwijzing). Toch zijn de nakomelingen, die hierboven geschreven zijn, nazaten van deze Jan Pieters Kooi en Etjens Alderts Meijer, hoe men het ook wendt of keert. Kijken we naar de gegevens van de verschillende volkstellingen, dan zien we dat op 1 januari 1840 Pieter Roelfs Kooi (60 jaar) en Siepke Jans Siertsema (58 jaar), met hun kinderen Siert Pieters (29 jaar) en Lubbert Pieters (23 jaar) op hun boerderij op nummer 203 woonden (dit was de Laanweg). (Ik merk hierbij op dat de opgegeven leeftijden vaak niet kloppen). Jan Pieters (36 jaar) was inmiddels getrouwd en woonde met zijn vrouw Ettje Alderts (37 jaar) op nummer 263d, samen met zijn kinderen Roelf Jans (12 jaar), Simen Jans (9 jaar), Siert Jans (5 jaar) en een zekere Lubbert Jans (17 jaar), die ik niet kan thuisbrengen. Pieter Jans was nog niet geboren. Twintig jaar later, 1 januari 1860 (er bestond een andere indeling) woonde in wijk C op de boerderij aan de Laanweg: Siert Pieters (*1809, hoofd, landbouwer), Lubbert Pieters (*1815, broeder), Trijntje Jacobs Jensema (*1830, schoonzuster), en hun kinderen Pieter Lubberts (*1854) en Jacob (*1858). Allen, behalve Trijntje, die Afgescheiden was, waren Doopsgezind. Jan Pieters (*1803, hoofd, dagloner Doopsgezind), Etje Meijer (*1802, vrouw, Hervormd) en hun enige nog thuiswonende zoon Pieter Jans (*1847, Doopsgezind) woonden in Wijk D. Hun zoon Siemen Jans (*1830, hoofd, dagloner) woonde met zijn eerste vrouw Knelske Pieters Blok (*1831) en hun kinderen (Etje, Grietje, Jan) op dat moment ook in Wijk D. Ik kan me voorstellen dat dit het bewuste huisje aan de Greedeweg geweest moet zijn, dat immers volgens de inlichtingen van Anje Ida Hekkema-Kooi nummer D1 had.

*********************

HERINNERINGEN VAN FRE SWIJGHUIZEN genoteerd door Siep Kooi op 3 juni 2008,

in aanwezigheid van zijn dochter Siepke.

Fré Swijghuizen - 3 juni 2008 - 87 jaar

Mijn naam is Frederik (Fré) Swijghuizen. Ik ben op 29 juni 1920 in Spijk, gemeente Bierum geboren. Mijn vader was Mattheus Swijghuizen, mijn moeder Etje Kooi. Ik ben op 19 mei 1944 met Fenje Pijper getrouwd, die geboren is op 11 april 1926 te Zijldijk Zij overleed twee jaar geleden, op 23 mei 2006, 80 jaar oud. Sindsdien woon ik in het verzorgingshuis Fivelland te Bierum Wij kregen vier kinderen: Ties, geboren in 1944, Siepke, geboren in 1946, Etje, geboren in 1947, zij overleed in 1990, en Gerrit, geboren in 1952.

Ik kom uit een gezin van negen kinderen, waarvan ik de jongste ben. Toen mijn vader (28 jaar oud) mijn moeder (27 jaar oud) op 26 april 1907 trouwde, had zij drie ‘voorkinderen’, die waren geboren toen zij als dienstmeisje in Duitsland diende. Aanvankelijk hadden deze kinderen de naam Kooi als achternaam, maar die werd veranderd in Swijghuizen, nadat ze door het huwelijk van mijn moeder met mijn vader zij werden gewettigd. Dit waren: 1. Pieter, geboren op 26 maart 1902. Hij werd door zijn grootvader Pieter Jans Kooi en diens tweede vrouw Anneke Veldman aan de Greedeweg in Roodeschool grootgebracht; 2. Jan, geboren op 16 juli 1904; 3. Anje, geboren op 4 april 1906. Daarna kwamen er nog zes kinderen: 4. Roelf, geboren op 1 december 1907; 5. Siert, geboren op 7 juli 1909; 6. Frederik, geboren op 21 september 1913; 7. Eise en 8. Hendrik, een tweeling, geboren op 21 december 1917; 9. Frederik, geboren op 29 juni 1920. Die laatste was ik. In het trouwboekje staat de volgende opmerking: “Bij beschikking van den kantonrechter te Groningen dd. 11 Maart 1937 is over de mj. (minderjarigen SK) Eise, Hendrik en Frederik Swijghuizen benoemd tot en beëdigd als toeziend voogd: Frederik Swijghuizen, dagloner, wonende te Roodeschool.” Deze Frederik Swijghuizen is mijn oomzegger. Ik ben naar hem vernoemd. Oom was getrouwd met Anna Smit. Hij overleed in 1971. De eerste vier kinderen staan in Uithuizermeeden ingeschreven. De volgend twee kinderen werden in Kolhol, gemeente ‘t Zandt, geboren. Dat huisje bestaat nu niet meer. Tussen 1913 en 1917 verhuisde het gezin naar Polen, een gehucht, ongeveer vier kilometer ten noordoosten van Spijk, vlak tegen de dijk aan. Ook dat huisje is er niet meer; het is afgebrand toen de laatste bewoners eruit vertrokken waren.

Mijn vader overleed al op vrij jonge leeftijd, op 27 januari 1921. Hij was nog maar 42 jaar, toen ik een half jaar oud was. Ik heb hem dus nooit gekend. Hij was een slachtoffer van de Spaanse griep, waarbij erg veel mensen omkwamen. Er kon nauwelijks voor een fatsoenlijke begrafenis gezorgd worden, omdat er geen kisten genoeg waren. Mijn moeder vertelde dat mijn vader als een dier begraven werd. Er waren schotten van boomstammen gemaakt, die op een boerenkar stonden. Daartussen lag mijn vader. Op het kerkhof waren kuilen gegraven, die vol water stonden. Daar werden de lijken in gekieperd. We weten niet waar hij begraven is. Wel staat hij genoemd op de grafzerk van mijn moeder in Spijk. Toen mijn vader stierf waren alleen mijn tweelingbroers, die vier jaar waren, en ik nog thuis. Ik ben dus door mijn moeder grootgebracht. (broer Frederik was op 8 februari 1919 al overleden; hij was vijf jaar oud).

Ik herinner me goed dat ik, toen ik een jaar of zeven, acht was, met mijn moeder en nog wat andere vrouwen en kinderen naar de kermis in Delfzijl ben geweest. Mijn moeder had 15 cent om uit te geven. Aangekomen in Delfzijl moest er eerst een borrel gedronken worden. Een van de vrouwen vroeg mijn moeder of ze ook even voor haar wilde betalen, want ze kon niet bij haar geld. Mijn moeder was zo aardig dat ze de borrel voor haar betaalde. Een borrel kostte vijf cent. Dat was dus samen een dubbeltje. Ik kreeg een reep chocolade, die kostte drie cent. Ze was dus al dertien cent kwijt. Die andere vrouw had namelijk helemaal geen geld bij zich. Er bleef dus nog maar twee cent over om kermis te vieren.

Ook herinner ik me dat ik met mij moeder eens bij haar neef Pieter Kooi, die Amerikaanse Piet genoemd werd, en zijn vrouw Margreet ben geweest. Dat was vlak na hun huwelijk in 1931. We aten 's middags mee en voor het eerst in mijn leven kreeg ik daar pudding. Ik vond dat erg lekker. Korte tijd later kocht mijn moeder ook pudding, maar ik kon niet wachten tot zij het klaargemaakt had. Ik kookte stiekum zelf melk, maakte de pudding en at het heerlijk op. Omdat ik met een leeg zakje bleef zitten, vulde ik dat met varkensmeel, in de hoop dat niemand er iets van zou merken. Maar toen mijn moeder pudding wilde koken, viel ik door de mand. Ik weet niet meer welke straf ik gehad heb, maar leuk vond ze het niet.

Mijn moeder had een broer, mijn oom Siert Pieters Kooi, die met zijn vrouw Trijntje Wit in Oudeschip woonde. Hij had een ernstige ziekte, MS, en liep met krukken. Op het laatste van zijn leven kon hij haast niet meer lopen. Toch wilde hij graag nog een keer zijn zuster Etje (mijn moeder dus) in Polen bezoeken, al gauw een afstand van vijf kilometer. Dat moet rond 1936/1937 geweest zijn, want in 1937 overleed hij op 52-jarige leeftijd. Ondanks zijn ziekte had oom Siert een heel opgeruimd en vrolijk karakter; hij was een erg aardige, sympathieke man. Toen hij halverwege was, in het gehucht Nooitgedacht, kon hij niet verder. Hij ging hij op een grote kei aan de kant van de weg zitten. Daar vond mijn broer Siert hem. Die haalde bij een boer een kiepkar (een korrel) en reed hem zo naar mijn moeder in Polen. ‘s Avonds werd hij op dezelfde manier weer naar Oudeschip gebracht.

Mijn moeder heeft een hard leven gehad. Er bestaat nog een foto van haar, waar ze met mededagloners op het bietenland zit onder een doek, beschermd tegen de wind of de zon, zit te schaften. Ze werkte toen bij Evers, een herenboer achter in de polder. De foto moet in 1938 gemaakt zijn; ze was toen 58 jaar oud. Ik was op dat moment in militaire dienst. Ik werkte vaak met haar op het bietenland. Het werk was erg zwaar. De bieten moesten allemaal met de hand worden afgeklopt. Mijn moeder gooide altijd de zwaarste bieten in mijn rij, omdat het voor haar bijna niet meer te doen was.

De werkdagen waren lang: van zeven uur ‘s ochtends tot zes uur ‘s avonds. In Bierum luiden de kerkklokken ‘s zomers nog altijd om zeven, twaalf en om zes uur. Dat heeft nog met vroeger te maken. De arbeiders wisten dan hoe laat ze moesten beginnen, wanneer het schafttijd was en wanneer ze konden stoppen met werken. ‘s Winters begonnen ze een uur later en konden een uur vroeger naar huis We hadden het thuis erg arm en vaak wisten we niet hoe we moesten rondkomen. Er werd van alles geprobeerd om aan eten te komen. Dat was een dagelijks probleem. We joegen op hazen, patrijzen, houtduiven met een buks en kruit dat we zelf gemaakt hadden. Ook werd er veel gestroopt, gepeurd op aal en visten we veel, zowel in de kolk als op de Waddenzee, om vis op tafel te krijgen. Ook zetten we fuiken en zochten mosselen. Niets was gek genoeg om maar aan eten te komen. ‘s Winters was het moeilijk om warm te worden. Soms hadden we turf, maar dat was vaak van slechte kwaliteit. We waren altijd op pad om aan hout te komen. Bij strenge winters, die er vroeger heel wat meer waren dan nu, moesten de bomen het ontgelden. Zelfs spoorbielzen hebben we wel gestolen om voor de kachel verzaagd te worden. ‘Nood breekt wet’, zeggen ze wel. Ik herinner me dat het ‘s nachts zo koud kon zijn, dat de dekens stijf tegen de achterkant van de bedstee bevroren. We gingen in Spijk naar school; dat was al gauw drie kwartier lopen, maar wij waren altijd de eersten. We liepen op klompen die meestal vol gaten zaten, of soms op twee linkerklompen als de rechter kapot was. Toen we een fiets wisten te bemachtigen, zaten we soms met vijf kinderen op een fiets. De meester was erg streng. Daarmee had ik pech, want ik was geen gemakkelijk kind.. Ik heb heel wat klappen voor mijn billen gehad, maar daar ben ik niet slechter door geworden. Aan versjesleren had ik een gruwelijke hekel. ‘s Maandagsmorgens kende ik mijn versje nooit; daarom kreeg ik ook nooit een plaatje. De meester kon heel mooi vioolspelen. Vaak zongen we liedjes en hij begeleidde ons dan op zijn viool. Het waren liedjes als ‘Het karretje dat op de zandweg reed’. Toen ik een jaar of elf was ben ik van school gegaan en ging ik bij de boer werken. Allerlei klusjes moest ik daar doen, waar ik wel de hele dag mee bezig was. Ik verdiende F 4,75 per week. In de mobilisatietijd moest ik naar Bergen aan Zee. Daar zat ik toen in 1940 de oorlog begon. Ook heb ik patrouille gelopen in de buurt van Den Helder. Dat was een spannende tijd, maar ja we waren jong. In het laatst van de oorlog, in 1944, ben ik getrouwd, maar mijn moeder heeft dat niet meer meegemaakt. Zij overleed op 9 juni 1943, 64 jaar oud. De laatste jaren werd zij verzorgd door Geeske Wiegers, de vrouw van mijn broer Siert. Na de oorlog ben ik weer bij de boer gaan werken. Ik was dorser en werkte op een dorsmachine die voor verschillende boeren in de omgeving dorste. Soms was dat zover weg dat ik niet meer naar huis kon gaan. Dan sliepen we ergens bij een boer in de hooischuur, om de volgende ochtend weer vroeg te kunnen beginnen. Later heb ik ook in de bouw gewerkt. Toen ik niet meer werkte kon ik niet stilzitten. Ik moest altijd wat te doen hebben. Ik heb toen verschillende voorwerpen van hout gemaakt, zoals een paar mooie stoven en een ronde tabakspot

Opmerking Siep Kooi. Het viel me op dat Fre Swijghuizen weinig over zijn broers en zuster vertelde. Met moeite konden we achterhalen dat zijn oudste broer Pieter met een Duitse vrouw was getrouwd - haar naam was Gretchen - en dat hij twee kinderen had. Hij zou petroleumboer geweest zijn. In 1998 was hij gestorven, 96 jaar oud. Jan, de tweede broer, was ook getrouwd geweest. Volgens de overlijdenskaart was dat Catharina van der Ploeg, overleden op 30 maart 1897, 82 jaar. Anje, het derde kind en de enige dochter trouwde met Jan Jonker. Anje overleed op 9 februari 1952, 45 jaar (acte 5). Zij kregen een dochter Etty Spijk-Jonker, die nu in O osteinde woont. Het vierde kind was Roelf, die met vrouw en kinderen naar Vancouver (Canada) emigreerde. Ze kregen twee kinderen. Siert was het vijfde kind, die volgens de overlijdenskaart met Geeske Wiegers was getrouwd. Zij overleed op 15 september 1985. Siert overleed onlangs op 28 maart 2008 in Kraggenburg. Zij kregen twee kinderen: Henk, geboren in 1944 en Mattheus (Ties), die in Duitsland woont. Het zesde kind overleed, zoals gezegd, op vijfjarige leeftijd. Van de tweeling overleed Eise in 1996, 79 jaar oud. Hij bleef ongehuwd. Toen hij 15 jaar was ging hij varen, maar leidde later een zwervend bestaan, onder andere in Limburg, waar hij in Heerlen overleed. Hendrik woonde in Duitsland en overleed op 18 juni 1985, 67 jaar oud.

 

***************

HERINNERINGEN VAN FRED KOOI - geb. 1941 Vries - februari 2008

Eerst noteer ik enkele herinneringen die ik heb aan mijn oom Anko Zuidema en tante Griet. Ik herinner me tante Griet als een lieve, hartelijke vrouw, ze kon heerlijk koken weet ik nog. Oom Anko had een geregelde bodedienst op Groningen. Boderijders en beurtschippers had je voor en na WO II overal op het platteland. Oom Anko was voor de oorlog begonnen met een wagen getrokken door een paard. Na de oorlog beschikte hij over een vrachtauto. Twee keer per week reed hij met een volle auto naar de stad. (Mensen uit de provincie hadden het nooit over Groningen, maar over "stad": "Wie goan noar stad" ). Aan het eind van de dag reed hij met eveneens een volle auto weer terug naar Uithuizermeden. De dagen er na werden de spullen in de omgeving bezorgd. Ik vond het prachtig om dan mee te rijden en te helpen. Allengs werden de boderijders overbodig doordat bedrijven het vervoer van hun produkten zelf gingen verzorgen. Je zou kunnen zeggen dat "Hoe God verdween uit Jorwerd" van Geert Mak model heeft gestaan voor zo'n beetje alle veranderingen in de kleine dorpen in Nederland. Oom Anko was echter niet voor een gat te vangen, hij ging zich toeleggen op het verzorgen van verhuizingen. Dat ging een tijd goed, tot door een steeds strenger wordende regelgeving ook daar een eind aan kwam. Maar hij had ook een grote, tweedehands Amerikaan. Die auto ging hij verhuren (met zichzelf als chauffeur) bij gelegenheden als begrafenissen en trouwerijen. Zo zag hij altijd wel een gat in de markt. Oom Anko handelde meen ik ook nog in turfstrooisel en aardappelen. Anko en Griet woonden dus in Uithuizermeeden, aan de Hoofdstraat, tegenover een lagere school en naast de Boerenleenbank. Ze hadden twee dochters: Hennie en Betty.

Dan wil ik het hebben over mijn grootouders: Roelf Siemens Kooi en Elizabeth Knol. Aan mijn grootvader heb ik zo goed als geen herinneringen. Hij overleed in 1944 toen ik net drie jaar was oud was. Aan Opoe Kooi heb ik des te meer herinneringen. Ze woonde, evenals haar oudste dochter Anje, die met Okke de Weerdt getrouwd was, aan een zandweggetje dat zich in Oosteinde bevond. Ik heb net nog even op Google Earth gekeken en toen bleek dat dat zandweggetje nu een doorgetrokken bestrate weg is. Het moet in de periode tussen 1946 en 1953 zijn geweest dat ik met mijn ouders zo eens in de 5 à 6 weken naar opoe ging, altijd op een zondag. Dat ging per trein en dat was voor mij een feest. De NS reed daar toen nog met stoomtractie en het materieel was (kort na de oorlog, de wederopbouw was nog maar net begonnen ) sterk verouderd, maar dat maakte mij niet uit. Men reed nog met coupérijtuigen. Roodeschool was het eindstation en vandaar was het nog ruim 30 minuten lopen naar Oosteinde. Bij het binnenkomen van opoe's huis zag ik altijd het portret van opa Kooi aan de muur hangen. Het maakte mij altijd een beetje bang, hij had zo'n strenge uitstraling! Op zo'n dag vermaakte ik me met een doos met blokken die altijd voor me klaar stond. Ik weet ook nog dat op een middag toen ik een poosje buiten was, de overbuurman bezig was een kip te slachten. Hij hakte haar de kop af met een bijl en liet haar toen los. Het lijf rende nog even over het erf voor ze dood neerviel. Ik weet nog goed hoe vreselijk ik dat vond. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg opoe de beschikking over radiodistributie van de PTT. Dat betekende voor haar 'open vensters' op de wereld. Prachtig vond ze de kerkdiensten, die soms in het Gronings werden uitgezonden. Bij zulke gelegenheden had ze dan het gevoel een heel gezelschap in de kamer te hebben. Nog iets over Oosteinde. Ik herinner me dat daar een slager woonde, Klaas Henkel heette hij, en ook een fietsenmaker, die tevens kachels een wat huishoudelijke artikelen verkocht. Hij had ook een luxe auto die hij wel inzette als taxi. Er woonde volgens mij ook een bakker. Die man bakte verrukkelijk brood. De smaak had een licht zoete ondertoon. Omdat opoe ook kippen had, was er 's avonds bij de broodmaaltijd uiteraard ook een lekker vers eitje. Iedere keer als opoe haar ei pakte keek ik met spanning en verbazing toe: zou het deze keer goed gaan? Wat was namelijk het geval. Het afslaan van het kapje ging namelijk meestal fout. Steevast sloeg ze met haar mes het ei dwars doormidden waardoor het eigeel over haar vingers droop. Vervolgens zei ze dan zoiets als "Hai toch". 's Middags ging ik met mijn vader altijd even naar het kerkhof, ook in Oosteinde. Opoe is daar later in 1957 ook begraven; ik was toen 16 jaar. En na de middagthee gingen we meestal een poosje naar oom Okke de Weerdt en tante Anje. Van hen weet ik alleen dat ze een zoon hadden die Arend heet. Hij heeft een tijd gewerkt bij garage Gorter in Roodeschool.

 

**********************************************

ARMOEDE OP HET HOGELAND: HET GESLACHT ROZEMULDER

Het is moeilijk ons voor te stellen hoe onze voorouders in de negentiende eeuw hebben geleefd. Zeker omdat zij woonden in het uiterste noordoosten van de provincie Groningen - tegen de Waddenzeedijk aan - en vrijwel zonder uitzondering behoorden tot de laagste kaste van de dagloners, de onaanraakbaren, die op het scherp van de snede leefden. Een ongezond voedingspatroon, miserabele woon- en werkomstandigheden, levenloos geboren kinderen, zuigelingen- en kraamvrouwensterfte waren zaken die tot het gewone, dagelijkse leven behoorden. Toch wil ik proberen een beeld te schetsen van dit leven van onze voorouders en ik doe dat aan de hand van het genealogisch onderzoek van Tonnis Kooi, die veel van zijn schaarse vrije tijd opgeofferd heeft om gegevens omtrent het geslacht Rozemulder, de familie van zijn moeder Geertruida Rozemulder - gehuwd met Harm Kooi - boven tafel te krijgen. Tonnis, die geboren werd op 28 november 1918 stapte daarvoor op zijn fiets en reed tussen 1968 en 1971 enkele malen naar de Rijksarchieven in de stad Groningen, naar Leeuwarden, Haarlem, Amsterdam, het Algemeen Rijksarchief in Den Haag en het Militair Archief in Delft. Op 22 april 1971 sloot hij zijn onderzoek af, geboekstaafd in een honderdtal met vaste hand dicht beschreven blocnote-vellen. Op 12 februari 2008 bezocht ik hem, samen met zijn neef Harm Hooi - kleinzoon van Geertruida Rozemulder en Harm Kooi - in zijn woninkje van zijn ouders aan de Schapeweg 9 in Uithuizermeeden. Een bijzondere man, die pas op zijn achtendertigste trouwde met Aaltje Heuvelman, vierendertig jaar oud, die uit Den Haag kwam. Sinds 1993, toen zijn vrouw stierf, woont Tonnis alleen. Van Harm Kooi hoorde ik dat Tonnis altijd een harde werker was geweest. Als voorbeeld noemde hij het selecteren van de jonge aardappelplanten op het veld. “Als wij een hectare hadden afgewerkt, had hij er drie gedaan en vaak nog beter dan wij”, aldus zijn neef Harm. Tonnis had een levendige belangstelling voor alles om hem heen, kende alle vogels, planten, de rondgang van de planeten, had veel interesse voor gebeurtenissen uit de geschiedenis, kortom, hij wist overal over mee te praten. Hoe bijzonder hij was, is ook te merken uit de neerslag van zijn genealogisch onderzoek, dat, zoals gezegd, zich voornamelijk richtte op het geslacht Rozemulder en in veel mindere mate op het geslacht Kooi. Naar zijn mening zou aan de geschiedenis van de Rozemulders meer te beleven zijn, dan aan die van de Koois. Het is natuurlijk de vraag of dit zo is, maar ten aanzien van de voorgeschiedenis van die familie gaat het zeker op. Tonnis Kooi mag gerust de laatst levende van zijn generatie worden genoemd. Ik vroeg hem of hij herinneringen had aan zijn grootmoeder Martje Bogema (zijn grootvader Harmannus Rozemulder was al op 29 november 1888, drieënzestig jaar oud, overleden. Dat had hij zeker. Martje was overleden op 28 november 1927, eenennegentig jaar oud - precies op de dag dat Tonnis negen jaar oud werd! (Hij was op 28 november 1918 in Oosternieland geboren). Zij was al negenendertig jaar lang weduwe. Tonnis herinnerde zich haar als een klein, oud, altijd in het zwart gekleed vrouwtje, die jarenlang bij haar jongste dochter Jacobje had ingewoond. Ook haar overleefde zij en sleet daarna haar laatste jaren in het diakoniehuis van de Gereformeerde Kerk, niet ver bij de Schapeweg vandaan.

Door mijn bezoek aan Tonnis Kooi had ik het gevoel dat ik letterlijk aan stukje geschiedenis raakte, een stuk verleden werd tastbaar. Met dit gegeven namelijk: iemand die Martje Bogema persoonlijk gekend had, zat ik in het hart van mijn eigen genealogisch onderzoek. Martje was namelijk een dochter van Pieter Derks Bogema en Wobke Klasens Kooi, een dochter van Klaas Roelfs Kooi en Jantje Hilbrants, de ‘stamoudsten’ van de tweede tak. Het gezin van Pieter Bogema en Wobke Kooi was voor mij een schoolvoorbeeld van hoe het ‘mis’ kon gaan in een gezin. Ze waren op 24 mei 1828, beiden eenentwintig jaar, getrouwd en woonden in 1830 (Volkstelling) niet ver van de kerk in Uithuizermeeden met drie gezinnen (zeven personen) in een klein daglonershuisje op huisnummer 40. Alleen Derk was toen nog geboren (1 jaar). Tien jaar later, Volkstelling 1840, woonden ze met zijn achten in hetzelfde huisje. Geertruid moest nog geboren worden. Wel hadden ze een ‘dienstmaagd’ van 13 jaar oud: Geeske Jans Hut heette ze. In korte tijd hadden ze zes kinderen gekregen: Derk in 1828, Jantje in 1831, Klaas in 1834, Martje in 1836, Jacob in 1839 in Geertruid in 1841. Toen was de koek op. Martje overleed op 14 maart 1845. Ze was nog maar zevenendertig jaar, een vader met zes kinderen achterlatend. Het kan zijn dat dit Pieter Bogema te veel werd, maar tot overmaat van ramp stierf ook hij negen maanden later, op 28 december 1845, achtendertig jaar oud. Zijn kinderen, waaronder Martje Bogema, de grootmoeder van Tonnis Kooi, waren op slag wees geworden. Martje was toen negen jaar oud. We mogen veronderstellen dat de drie oudsten (resp. 17, 14 en 11 jaar) op dat moment het huis al uit waren - kindermonden moesten gevoed worden en dat was goedkoper bij de boer dan thuis - maar voor de drie jongsten (resp. 9, 6 en 4 jaar) moesten oplossingen bij familie of in het Diackoniehuis worden gezocht. Nu kan men stellen wat we hier met een extreem geval te maken hebben, maar dat neemt niet weg dat in veel kooifamilies er vaders of moeders vroegtijdig wegvielen en er naarstig naar een vervangende vader of moeder moest worden gezocht. Wie de stamboom nauwkeurig doorneemt zal zien dat er herhaaldelijk opnieuw binnen afzienbare tijd na een overlijden opnieuw werd getrouwd.

We zullen in het volgende het genealogisch onderzoek van Tonnis Kooi in grote lijnen volgen, d.w.z. dat ik alleen de rechte afstammingslijn laat zien. De vele ‘zijsporen’ van broers en zusters Rozemulder laat ik buiten beschouwing. Het ‘verhaal’ van de familie Rozemulder verschilt in wezen niet veel van dat van het ‘verhaal’ van de familie Kooi. Steeds speelt de harde strijd om het hoofd boven water te houden. Voor beide families was dat gelijk. Vandaar dat de gegevens die hij boven water heeft weten te krijgen voor ons zo boeiend zijn. Interessant is dat we via Tonnis Kooi via twee verschillende lijnen bij de ‘stamoudste’ van de tweede tak Klaas Roelfs Kooi uitkomen, namelijk zowel via de vader als de moeder. Om nog even in herinnering te brengen: Tonnis is de zoon van Harm Kooi en Geertruida Rozemulder. Zijn vier grootouders waren: Willem Jakobs Kooi en Elizabeth Knipper aan vaders kant en Harmannus Rozemulder en Martje Bogema aan moeders kant. Zijn twee overgrootouders van vaders kant waren Jakob Klasens Kooi en Eltje Willems van der Meij. De moeder van Martje Bogema was Wopke Klasens Kooi, een oudere zus van Jacob Klasens Kooi. Hun ouders waren Klaas Roelfs Kooi en Jantje Hilbrants en zo is vast te stellen dat de ouders van Tonnis Kooi uit dezelfde familie stamden. Ze waren elkaars achter achter neef en nicht. Het is nog aardig om op te merken dat de grootouders van Tonnis Kooi van moederskant waren: Tonnis Knipper (zo komt de naam Tonnis binnen via de vrouwelijke lijn), die uit Völlen, Oost Friesland in Duitsland kwam, en Anna Kooi. Deze Anna Kooi was geen familie van het geslacht Kooi, waar wij het over hebben - haar vader was Jan Kooi, haar moeder Grietje Freerks Bakker. Haar grootvader was Jan Edzes, die in 1768 trouwde met Anje Jans uit Spijk. Evenals onze stamvader Roelf Pieters, die in 1764 trouwde met Wobge Heines, koos Jan Edzes er in 1811 voor zich ‘Kooi’ te noemen. Hij beheerde waarschijnlijk een andere eendenkooi dan de ‘onze’.

Gaan we vervolgens over tot een selectieve weergave van het genealogisch onderzoek van het geslacht Rozemulder, zoals dat voorbereid en opgetekend is door Tonnis Kooi. We beginnen ons verhaal bij Jan Geerts, die op 5 oktober 1745 in de stad Groningen met Hendrika Borgers trouwde, vijf generaties voor Tonnis. Jan Geerts kwam oorspronkelijk uit Sappemeer. Ze woonden in de stad Groningen, net buiten de oosterpoort, aan de oostkant van de weg, waar vandaag de spoorlijn naar Winschoten over hun tuin loopt, iets ten noorden van het Sterrenbos. Hun terrein was 125 are groot, waar ze als tuinder - moesker, zoals Tonnis schrijft - werkzaam waren. Omdat hun namen voorkomen in de Rechterlijke archieven bij de ‘schuldprotocols’, is het tot op zeker hoogte mogelijk hun levens te reconstrueren. De zittingen van deze ‘protocols’ werden gehouden door de Burgermeesters en de Raadslieden van de stad en de rechters en grietmannen van de provincie. In Groningen heersten in de eerste helft van de achttiende eeuw zeer slechte economische omstandigheden. De ‘schuldprotocols’ sluiten goed bij deze situatie aan. De kleine ondernemers, waaronder moeskers als Jan Geerts, konden doordat de uitvoer van hun producten stagneerde, hun verplichtingen ten aanzien van hun schuldeisers niet meer nakomen, waardoor er steeds meer van hen geleend moest worden. Kon men de huur van grond of behuizing niet betalen, dan werd het gewoon bij de schulden opgeteld, waarover ze dan weer rente moesten betalen. Dit kon zover gaan dat de schulden gelijk kwamen te staan aan hun bezit, dat men er als onderpand tegenover stelde. Tonnis Kooi stelt vast dat Jan Geerts en Hendrika Borgers in 1752 deze grens dicht bereikt hadden. In naam waren ze nog eigenaar van het bedrijf, maar in feite waren ze geheel aan hun schuldeisers gebonden, als gevangen in een tang. Deze stagnatie van de markthandel was gunstig voor de regenten, die veel bezittingen in en om Groningen hadden. Zij immers waren niet onderhevig aan de markt, de rentestand werd niet verlaagd en ze zagen kans meer geld uit te lenen, zodat er een klasse van renteniers ontstond. Uit deze tijd zijn veel gerechtelijke verkopingen bekend. Op deze manier waren de schulden van Jan Geerts in 1748 opgelopen tot ongeveer F 600. Tonnis Kooi merkt daarbij op dat een vergelijking van het loon van een dagloner in die tijd en een arbeider in 1971 leert dat de te noemen bedragen met meer dan honderd dienen te worden vermenigvuldig. Dat zou betekenen dat de schuld van een kleine ondernemer als Jan Geerts F 60.000 zou bedragen; een nauwelijks af te kunnen lossen schuld.

Bij hun huwelijk kochten Jan Geerts en Hendrika Borgers van de moeder van Hendrika, Geertruid Smit (weduwe van Jan Borger, die omstreeks 1725 was overleden), een behuizing, schuur en beklemming van een tuin waarvan de weduwe Rooseveld het eigendom had, staande en gelegen buiten de Oosterpoort, aan de oostkant van de Oosterweg, voor een bedrag van F 600, welk bedrag bleef staan. Zij dienden hun ouders (moeder was hertrouwd) hiervoor 4% rente te betalen voor het eerst op 22 februari 1749. Bovendien was er een schuldoverdracht van de moeder naar de kinderen van de genoemde F 600, ten name van de weduwe Rooseveld In 1749 werd het huis verbouwd. Daarvoor verschenen ze voor de rechter van Wetsinge en Sauwerd op 29 juli van dat jaar en erkenden dat ze voor F 61 aan kalk en stenen hadden gekocht van Pieter Tabie. In deze acte is sprake van misrekening, kwade leverantie en herrekening, maar nu waren ze er wel tevreden mee en dienden voor de F 61, welk bedrag bleef staan, 5% rente te betalen, voor het eerst op 1 mei 1750. De schulden van Jan Geerts en Hendrika Jans waren toen waarschijnlijk dicht genaderd aan de waarde van het bezit. Bij de volgende schuldacte van 11 november 1758 verschenen Jan Geerts en Hendrika Jans voor de rechter Vroon van Woltersum en erkenden dat ze de weduwe Rooseveld F 100 schuldig waren. Het blijft onduidelijk, aldus Tonnis Kooi, of er wat van de F 600 werd afbetaald, maar, zo merkt hij op: “Aan de zorgen die de familie had om aan hun schuldeisers op tijd te voldoen, danken wij het dat we iets van hun te weten kunnen komen.” Van de F 100 huurschuld die ze in 1752 hadden, dienden ze 4% rente te betalen voor het eerst op 1 mei 1752. Dit bedrag mocht in zes jaar worden afgelost, mits de rente op tijd was voldaan, huis en tuin niet kwamen te vervallen en geen wanbetaling bij andere debiteuren bekend was, en zo dit wel het geval was, zou niets de gerechtelijke verkoping kunnen tegenhouden. In 1749 werd de toestand in de stad Groningen onhoudbaar. De bevolking kwam tot oproer, waarna er enkele verbeteringen kwamen, maar van volksinvloed op het stadsbestuur was geen sprake. Langzamerhand begon de markt gunstiger op de handel en de kleine zelfstandigen ging werken. De uitvoer van producten steeg, evenals de prijzen, zodat de betrokkenen hun schulden sneller konden afbetalen.

Dit betrof ook Jan Geerts en Hendrika Jans, die tot die kleine zelfstandigen gerekend kunnen worden, door Tonnis Kooi als volgt ingeleid: “Tussen de vesting van de stad Groningen, de Hereweg , de verdedigingslinies van Helpman en het Winschoterdiep woonde in de 18e en de 19e eeuw een groot aantal zelfstandigen: moeskers, koemelkers en mulders. Als de familie Rozemulder omstreeks 1780 voor hun huis op de weg stonden, zagen ze binnen enkele kilometers een groot aantal molens, naar het zuidwesten een papiermolen en zaagmolens, naar het zuiden; achter de linie van Helpman waren watermolens, naar het zuidoosten bij het Winschoterdiep waren pel-, zaag- en oliemolens. Naar het noordoosten, waar thans de Oliemulderstraat is, die in die tijd Oliemuldersteeg heette, kwam deze steeg uit bij een oliemolen aan het Winschoterdiep. Aan de noordkant van de stad Groningen woonde ook een aantal moeskers in de omgeving van waar thans de Moesstraat is. Daar was ook de Bessemoersteeg. Op de oudste miltaire kadasterkaart van 1852 worden de afscheidingen van de tuinen van de moeskers, zowel ten noorden als ten zuiden van Groningen aangeduid als struikgewas of heggen. De naam Bessemoersteeg herinnert ons eraan dat dit soort struiken, rozenbottels en dergelijke daar gegroeid hebben. Behalve de vele windmolens waren er in die tijd ook veel handmolens in gebruik. Als de familie een handmolen heeft gehad, en rozenstruiken als omheining van hun tuin, of in de tuin groeiden, waarmee ze dan de bessen van dit soort rozen perste en het product voor eigen gebruik of misschien wel verkocht werd op de markt te Groningen, ligt het voor de hand waarom ze de naam Rozemulder aannamen. Het is dus niet geheel zeker, maar er is een sterke aanwijzing, in welke richting de verklaring van de naam gezocht moet worden.”

Jan Geerts was waarschijnlijk de eerste persoon die de naam Rozemulder aannam, maar het was zijn zoon Johannes wordt in zijn huwelijksacte van 1783 officieel met die naam aangeduid. Tonnis Kooi merkt daarbij op dat er wel verschillende spellingen van de naam bekend waren, zoals Rozemuller, maar die familie was afkomstig uit Dortmund.

Op 6 februari 1787 verkochten Jan Geerts en Hendrika Jans hun behuizing, schuur en de beklemming van hun moestuin aan hun oudste zoon Geert (Gerardus) Jans en zijn vrouw Maria Tensing. Het betrof het bedrag van F 1600 voor de schuldeiser, welk bedrag bleef staan. Hiervan dienden ze hun ouders 4% rente te betalen, voor het eerst op 1 mei 1788. Bovendien kregen ze het recht hun ouders F 50 per jaar af te lossen. Zelf behielden de ouders het recht om hun hele leven lang, of zolang als het hun beliefde in het kleine kamertje van de behuizing te blijven wonen en hielden ze het recht van het vrije gebruik van de schuur, zonder er iets voor te betalen. Omdat Hendrika Jans recentelijk was overleden, kwam Jan Geerts als boedelhouder voor zichzelf, zijn erven en zijn overleden vrouw op 20 april 1798 nogmaals in de protocollen voor. Er was bovendien een schuldoverdracht omdat zijn zoon en schoondochter, Geert Jans en Maria Tensing hem F 600 te weinig hadden betaald. Jan Geerts zelf overleed omstreeks 1800, in de leeftijd van ongeveer 85 jaar. Tonnis Kooi merkt daar bij op dat de namen van Geert Jans Rozemulder en zijn vrouw Hendrika Jans Borgers is de doopregisters van de Rooms Katholiek Kerk voorkomen, welk gebouw aan de Carolieweg stond.

Geert Jans heeft niet lang van zijn bezit mogen genieten. Hij overleed omstreeks 1808. Maria Tensing verkocht daarop de behuizing, schuur en beklemming aan Albert Boer. De schuleiser kreeg F 1400, de rest, F 1000, was voor Maria zelf, een bedrag dat bleef staan en waarvoor Albert Boer haar jaarlijks 4½ % rente moest betalen, voor het eerst op 23 juni 1812. Tonnis Kooi merkt daarbij op dat een dagloner voor dat bedrag ongeveer tien jaar moest werken.

We pakken het verhaal weer op wanneer de jongste zoon van Jan Geerts en Hendrika Jans ter sprake komt: Johannes Rozemulder, die in 1783 getrouwd was met Geertruida Fielders. (Geertruida was een dochter van Harmannus Fielders - zo komt de naam Harmannus, Harm, binnen via de vrouwelijke lijn, en Marchien Nieland). Zij komen in 1793 voor het eerst in de schuldprotocols voor. Op 29 november van dat jaar verschenen ze voor de Burgemeester en de raadslieden en verklaarden dat ze van de heer G. Eisveld hadden gekocht: een hof voorzien van een stenen zomerhuis en een regenput, staande en gelegen aan de westkant van de Fiolettensteeg, op vrije eigen grond, voor F 231, waarvan ze F 31 betaalden en de F 200 bleef staan. Er was een schuldoverdracht waarbij Sijbrand Harmens F 200 aan G. Eisveld. Van deze F 200 diende Johannes Rozemulder aan Harmens jaarlijks 4% rente te betalen, voor het eerst op 1 mei 1796. Op 25 mei 1803 verkochten Johannes en Geertruid het zomerhuis en de hof aan Pieter Bruins voor F 511. Van dit bedrag kregen ze van Bruins direct F 200 terwijl de F 311 bleef staan, waarvoor aan de familie jaarlijks 4 % rente moest worden betaald. Er was een schuldoverdracht van Bruins naar Jacobus Pommerol, waardoor deze aan de familie 4 % huur diende te betalen, voor het eerst op 25 mei 1806. Op dezelfde dag kochten Johannes en Geertruid een tuin gelegen achter in de Kruisstraat, waarvoor ze jaarlijks een kleine som aan stadspacht moesten betalen. Het werd gekocht van F. van Elmpt voor F 255. Van dit bedrag betaalden ze direct f 55 en de overige F 200 bleef staan. Er was een schuldoverdracht van Van Elmpt naar Hendrik Tammens. Van de F 200 dienden ze hem 5% te betalen, voor het eerst op 1 mei 1806. Tonnis Kooi merkt daarbij op: “Het bedrag dat bij elke verkoping bleef staan noemde men ‘koopstadspenningen’. Dit was dus geld wat de gemeente Groningen uitgeleend had en dat bij de wet verplicht was. Er bleef dus altijd iemand die huur aan de gemeente Groningen betaalde.” Bij een verkoping van een tuin aan de Leliestraat in 1811 bleek deze, naar gegevens bij een notaris te Groningen, aan de tuin van Johannes Rozemulder te grenzen. Waarschijnlijk heeft hij toen aan de oostkant van de Fiolettensteeg gewoond. Johannes overleed op 19 juni 1811, ‘s middags om 4 uur in zijn huis aan de Fiolettensteeg F50. Hij werd 52 jaar. Zijn behuizing werd geschat op F 40. Met zijn dood was het eigenlijk afgelopen met zijn bedrijfje. Geen van zijn kinderen heeft het als zelfstandige kunnen voortzetten, of was in staat iets voor zichzelf te beginnen. Dit was ook vrijwel onmogelijk: het inkomen van een dagloner lag in die tijd tussen 25 en 35 cent per dag. De namen van de acht kinderen van Johannes Rozemulder en Geertruida Fielders komen in de doopregisters van de Rooms Katholieke Kerk voor. Dit gebouw lag aan de Guldenstraat, waar nu het pand van Geubels is, noteert Tonnis in 1971.

We vervolgen ons verhaal bij een van de zoons van Johannes en Geertruid: Henderikus Rozemulder, die op 16 december 1793 in de Rooms Katholieke Kerk was gedoopt. In 1816 diende hij bij de Schutterij, 1e Compagnie Flankeurs (zijn lengte was vijf rijnlandse voet, hetgeen overeenkomt met 1.57 m). Voor zijn huwelijk was hij hovenier, waarschijnlijk het hof achter in de Kruisstraat. In 1816 was hij kasteleinsknecht in de Bredegang P200, waar hij inwonend was. Twee jaar later was hij bediende in een logement en woonde in de Bredegang P201. Waarschijnlijk was voor hem in dat logement een kamertje afgeschut, gezien het huisnummer. Deze Bredegan is nu de Tuinstraat, een zijstraat van het Schuitendiep. In 1818 vertrok Henderikus met onbekende bestemming, waarschijnlijk om aan het verplicht exerceren door de binnenstad te ontkomen. Dit vond minstens twee avonden in de week plaats. Dit exerceren werd door velen als een last ervaren, vanwege gederfde inkomsten en slijtage aan het schoeisel. Hendrikus Rozemulder trouwde op 30 mei 1819 met Grietje Broekhuizen, die haar ook wel Geertje Broekhuis liet noemen. Zij was op 12 september 1794 in de Nederduits Hervormde Kerk te Groningen gedoopt. Als getuigen bij dit huwelijk waren aanwezig: haar broers Hendrik Broekhuizen, zilversmidsgezel, en Jan Broekhuizen, kleermaker. In 1820 woonden ze aan de Noorderhaven E117, aan de noordzijde van de Nieuwe Kijk in ‘t Jatstraat, het eerste pakhuis. Dit gebouw werd in 1816 nog alleen nog aangegeven als pakhuis. Hierin zullen ze bij hun huwelijk een onderkomen gevonden hebben, en Herderikus zal daar waarschijnlijk als korenzoldersknecht hebben gewerkt. In 1823 woonden ze aan de Noorderhaven E130, tussen de Havenstraat en de Spinhuisstraat (Zoutstraat) zijstraten van de Noorderhaven. Twee jaar later woonden ze weer in het pakhuis, dat nu na een hernummering als L63 werd gelocaliseerd. Op dit adres werd op 29 september 1823, om half zeven ‘s ochtends de grootvader van Tonnis Kooi, Harmannus Rozemulder, geboren. Bij de aangifte was zijn oom Freerk Veltman als getuige aanwezig.

In het voorjaar van 1826 voltrok zich een ramp in de stad Groningen. Tijdens een hevige storm braken de dijken van het Reitdiep door, met als gevolg dat vrijwel de hele stad onder water liep. ‘s Zomers braken besmettelijke ziekten uit, waaraan ongeveer tien procent van de bevolking bezweek. Deze ziekte werd de ‘Groninger ziekte’ genoemd. Ook Henderikus Rozemulder kwam op 2 november 1826 te overlijden, evenals zijn broer Johannes. Hij was 33 jaar oud en werd vijfde klasse begraven (er waren acht klassen). Omdat het economisch leven volkomen werd ontwricht - veel jonge mannen waren gestorven - werd een viertal commissies in het leven geroepen met het doel voor de meest hulpbehoevenden de nood enigszins te lenigen. Leden van die commissies gingen bij de huizen langs om te inventariseren waaraan het meest behoefte was. Tonnis schrijft: “Het was geen opwekkend beeld wat ze zagen, sommigen lagen reeds dood op bed en andere zieken waren verstoken van elke hulp.” De familie van Henderikus Rozemulder met drie kinderen van 6, 3 en 1 jaar kreeg voor ieder kind een hemd, twee buisjes en twee broeken. Verder werd er een vrouwenhemd en een deken uitgereikt. Henderikus was toen al ziek. Toen de wijkmeesters langskwamen was Geertruida Fielders niet thuis. Zij kreeg dus niets. In oktober 1826 werd opnieuw vastgesteld wat de bewoners nodig hadden. Daarvoor werden genummerde houtjes uitgereikt, die getoond moesten worden als de uitdeling plaatsvond. De weduwe van Henderikus Rozemulder, Grietje Broekhuizen, had houtje nr. 1117. Zij en haar drie kinderen kregen daarvoor: F 2, 1 mud aardappelen en 10 hemden. De weduwe van Johannes Rozemulder, Geertruida Fielders, die nu dus wel thuis was, had houtje 1547, waarvoor zij en een nog thuiswonend kind kreeg: 1 mud aardappelen, 1 bak turf, 1 bos stro en 4 hemden. Later kreeg Grietje Broekhuizen nog: F 2, 1 mud aardappelen, 1 bak turf, 4 hemden en een deken. Geertruida Fielders kreeg bovendien: F 1, 1 mud aardappelen, 1 bak turf, 2 hemden, 1 deken en 2 lakens. Deze uitdelingen stonden in schrille tegenstelling tot wat de betere klassen kregen, die bovendien in ziekenhuizen werden verzorgd, wat voor de armen niet was weggelegd. Zij kregen; hemdrokken, onderbroeken, slaapmutsen, petten, borstrokken, voorschoten, doeken en kousen. Bovendien kregen ze genotmiddelen als: citroenen, rijst, kina, ankers rode wijn, ankers bessennat, chocolade, gedroogde appelen, broodsuikers, appelsinas, frambozensap. Grietje Broekhuizen hertrouwde op 12 december 1839 met Gerrit van Rijssen, die uit Zwolle kwam. Ze gaf op arbeidster te zijn. Tot 1852 woonden ze aan de Noorderhaven. In 1853 woonden ze in de Butjestraat A83, vlak bij het klooster. In dat jaar werd ze opgenomen in het Stads- en Academisch ziekenhuis aan de Munnikeholm. De kosten voor de verpleging was voor haar 30 cent per dag en werd betaald door de Gemeente Groningen. Ze overleed op 1 mei 1853, 58 jaar oud. Haar zoon Harmannus was toen 29 jaar, hij was twee jaar eerder getrouwd.

Even terug in de tijd. Tonnis Kooi schrijft: “De natte zomer van 1845 is bekend om zijn misoogst van aardappelen, doordat de aardappelziekte in dat jaar voor het eerst sterk optrad. Dit had zijn weerslag vooral in de steden. De prijs van broodkoren steeg tot ongekende hoogte. Er ontstond een hongersnood in de stad Groningen, en velen raakten daardoor aan het zwerven. Ze staan in de geschiedenis bekend als ‘nachtbidders’, waarbij ze ‘s avonds of ‘s nachts de boerderijen afliepen om te bedelen. Er werd door het stadsbestuur een broodbureau ingesteld, waarbij de bakkers bonnen konden inleveren en een vergoeding konden krijgen voor de kosten die ze gemaakt hadden. Ze dienden het brood, dat normaal F 0,30 per achtponds roggebrood kostte en nu was opgelopen tot F 0,90, belangrijk in prijs te verlagen, maar hoeveel is mij niet bekend. Het stadsbestuur stelde hiervoor F 10.000 ter beschikking over de jaren 1845 en 1846. Toen in 1847 de economie nog niet in evenwicht was, nam de hongersnood dusdanige vormen aan, dat de bevolking overging tot plundering van winkels en pakhuizen. Hierop kwamen de schutters in actie en er vielen doden en gewonden. Het was een zeer rumoerige tijd in Groningen, daarom had het stadsbestuur een garnizoen soldaten in de stad bij de burgers laten inkwartieren.” Tonnis merkt daarbij op dat het in die tijd was dat Harmannus Rozemulder samen met zijn oom en tante, Gerardus Rozemulder en Nicoletta van der Borgh, de stad verlieten. Hoe het Harmannus, die toen een jaar of 24 was, verder verging, laat Tonnis in het midden. Waarschijnlijk heeft hij daarover geen informatie kunnen vinden. Tonnis volgt de sporen van Gerardus en Nicoletta, die naar Nieuwer Amstel bij Amsterdam waren vertrokken om daar hun geluk te beproeven. Het zou kunnen zijn dat Harmannus hen had vergezeld, maar zeker is dat niet. Het zou ook kunnen zijn dat hij in de leer gegaan was van de broer van zijn moeder, Hendrik Broekhuizen, die immers kleermaker was.

We vinden Harmannus Rozemulder pas weer terug als kleermaker in Uithuizermeeden, nadat Tonnis het reilen en zeilen van de rest van zijn familieleden heeft nagegaan. Voor ons is dat op dit moment minder belangrijk. Harmannus Rozemulder was dus kleermaker in Uithuizermeeden, al hebben we geen enkel idee hoe hij daar terecht was gekomen. Hij trouwde op 22 november 1851 op vijfentwintig jarige leeftijd met Derkje Jans Werkman uit Zandeweer, die eenendertig jaar was. Zij was een dochter van Jan Dirks Werkman en Trientje Jans. Derkje Werkman was voor haar huwelijk dienstmeid in Uithuizermeeden. In verband met het huwelijk was de moeder van Harmannus, Grietje Broekhuizen, die dag overgekomen uit Groningen. Na twee jaar, in 1853, het jaar waarin Grietje Broekhuizen overleed, gingen ze in Oldenzijl wonen. Ze kregen twee kinderen: Hendrikus Rozemulder, die geboren werd op 22 januari 1853, en Jacob Rozemulder, geboren op 31 juli 1854. (Hij overleed in 1927, 73 jaar). Na tien jaar huwelijk, op 3 juli 1861, kwam Derkje Werkman te overlijden; ze was eenenveertig jaar. Harmannus kon toen de eindjes niet meer aan elkaar knopen. Veertien dagen later, op 19 juli 1861 ging hij naar het Openbaar Armenbestuur te Uithuizermeeden, waar hij verklaarde dat hij en zijn beide kinderen vanwege het overlijden van zijn vrouw, in zulke armoedige en hulpbehoevende omstandigheden verkeerde, dat hij niet meer in staat was voor zijn gezin het benodigde voor levensonderhoud en huisvesting te verschaffen. Een brief van deze strekking ging naar de Openbare Armenzorg in Groningen, waar hij immers vandaan kwam. Uithuizermeeden adviseerde Groningen om Harmannus en zijn twee kinderen een onderstand te verstrekken uit het fonds Burgerlijke Gemeenten. Op 11 juli 1861 (??) kwam er bericht uit Groningen waarin het verzoek om inlichtingen over de gemelde persoon, zijn leeftijd, beroep en gegevens over de kinderen en een opgave van de benodigdheden. Uithuizermeeden reageerde als volgt: “In antwoord op uw brief hebben wij het genoegen u mee te delen dat de armoedige toestand van Harmannus Rozemulder toevalligerwijze een gunstige keer heeft genomen en uit hoofde van dien voor de ondersteuning heeft bedankt, weshalve u rekent het besluit als niet te zijn afgezonden.” Het is niet duidelijk waarom Harmannus het niet meer nodig vond om onderstand te vragen. Het zou kunnen zijn dat hij in die tijd de Rooms Katholieke kerk verliet om Nederlands Hervormd te worden, en zo aan wat geld kon komen.

Twee jaar later, op 13 mei 1863, hertrouwde hij met Martje Bogema - boerenmeid in Oldenzijl - die geboren was op 11 oktober 1836. Zij was zesentwintig jaar, hij zevenendertig (acte 12). Een maand na het huwelijk, op 10 juni 1863, werd een dochter van Martje Bogema geboren: Wopke Rozemulder, vernoemd naar de grootmoeder van moeders kant. In de familie werd aangenomen dat dit kind niet van Harmannus was, maar van iemand anders. Toch was er geen sprake van dat hij dit kind gewettigd had, al is dit vreemd omdat het kind na het huwelijk werd geboren. Op 3 juli 1865 overleed de oudste zoon van Harmannus, Hendrikus. Hij was twaalf jaar oud. Twee weken later, op 15 juli 1865, diende Harmannus een aanvraag in om onderstand omdat zijn zoon Jacob ziek was en hij niet in staat was voor zijn onderhoud en de huisvesting het nodige te verschaffen. Het gemeentebestuur van Uithuizermeeden verklaarde dat Harmannus geen onderstand van enig kerkbestuur kon krijgen, vandaar dat ze bij de Openbare Armenzorg te Groningen een verzoek indienden hem een uitkering uit het fonds Burgerlijke Gemeenten te verschaffen. Op 24 juli 1865 kwam er uit Groningen een verzoek om inlichtingen en een opgave van de grootte van het gezin, leeftijden en verder alle bijzonderheden. De gemeente Uithuizermeeden antwoordde in een brief van 1 augustus 1865 als volgt: “We kunnen u mededelen dat het gezin Rozemulder uit zes personen bestaat, waarvan de kinderen 11 jaar [Jacob], 6 jaar [Pieter??], 2 jaar [Wobke] en de jongste 4 weken is [Derk, geboren op 3 juli 1865], dat de oudste van 12 jaar [Hendrikus] onlangs aan de mazelen is overleden, dat het inkomen van de vader als kleermaker 35 cent per dag en de kost bedraagt, dat de onderstand heeft bestaan in geneeskundige behandeling welke van korte duur is geweest, en met weinige kosten, waardoor wij besloten hebben het bedrag niet aan u op te geven.” Het duurde tot 9 april 1866 totdat Hermannus Rozemulder en zijn gezin opnieuw in de onderstand werd opgenomen. De Burgemeester van Uithuizermeeden had overwogen dat de gemelde personen niet in staat waren het benodigde voor levensonderhoud en huisvesting te verschaffen. Omdat ze geen onderstand van enig kerkbestuur konden krijgen, stelde de burgemeester bij de Openbare Armenzorg te Groningen voor om dit gezin voorlopig wekelijks F 1,50 en geneeskundige bijstand te verlenen uit het fonds Burgerlijke Gemeenten. Op 18 april 1866 kwam er vanuit Groningen een verzoek om nadere inlichtingen. Uithuizermeeden antwoordde in een brief van 30 april 1866: “We kunnen u hierbij meedelen dat de bedeling van korte duur is, de geneeskundige hulp is opgehouden, en dat de bedeling binnenkort gestaakt kan worden, als er zich geen onvoorziene omstandigheden voordoen. Het gezin bestaat uit 4 kinderen 8 (12) jaar, 5 jaar, 2 jaar en een ½ jaar [Geertje, geboren in 1867], de vader is kleermaker, de verdiensten te lande zeer gering, zijn daghuur is F 0,35.” De kleine Derk was ziek. Hij overleed op 20 juli 1866, een jaar oud. In 1867 werd Geertje geboren. Op 18 mei 1868 werd het gezin wegens ziekte weer opgenomen in onderstand. De kosten waren in dat jaar in totaal F 13,50. Over de periode daarna is weinig bekend. Tonnis Kooi geeft daarvan de volgende reden op: “Na 1868 is de administratie bij het Openbare Armenzorg te Groningen sterk vereenvoudigd, zodat van een briefwisseling tussen Groningen en Uithuizermeeden niets meer bekend is.” Met die woorden besluit Tonnis zijn genealogisch onderzoek. Ik wil hem nogmaals bedanken voor zijn bereidwilligheid en toestemming uit zijn verslag te citeren.

Wellicht ten overvloede: zijn handgeschreven tekst is met het onderzoek nog niet ten einde. In juli 1936 maakte de dan zeventien jarige Tonnis met twee vrienden, Derk en Obbe een ‘Vacantiereis per fiets door Nederland’. Het was een werkloosheidsperiode en om toch wat om handen te hebben voltrokken de drie vrienden dit avontuur. Hun reis voerde vanuit Uithuizermeeden, via de Afsluitdijk naar Amsterdam om vervolgens over de Veluwe naar Twente te reizen, waar ze bij oom H. Rozemulder in Enter logeerden, en vandaar weer terug naar Groningen te fietsen. Vierentwintig jaar later schreef hij zijn herinneringen op, om ze vervolgens in 1960 voor het eerste in het net over te schrijven.

Als slotopmerking wil ik nog de volgende kanttekening maken bij het verhaal van Tonnis Kooi. Het is opmerkelijk dat hij zijn genealogisch onderzoek staakt bij 1868, wanneer de briefwisseling met betrekking tot de armenzorg blijkbaar uit het zicht raakt. Het lijkt dan alsof zijn interesse in de familie Rozemulder minder hevig is. Wel geeft hij nog een overzichtje van de acht kinderen van Harmannus en Martje, maar het feit dat daartussen ook zijn moeder Geertruida staat, is voor hem klaarblijkelijk geen aanleiding zijn onderzoek te vervolgen. Ik neem deze pagina over: - Wopke Rozemulder, geboren op 10 juni 1863 [dit is een maand na het huwelijk, dat op 13 mei 1863 plaatvond. SK] Tonnis merkt hierbij op: “Naar gegevens van de kinderen van Harmannus Rozemulder - en dat moet in 1863 meer publiek bekend geweest zijn - was hun oudste zuster Wopke een bastaard.” [ M.a.w. zo werd er in de familie over Wopke gesproken. SK]. - Derk Rozemulder, geboren op 3 juli 1865, overleden 20 juli 1866 (1 jaar) - Geertje Rozemulder, geboren in 1867 - Derk Rozemulder, geboren in 1870 - Hindrikus Rozemulder, geboren in 1873 - Jantje Rozemulder, geboren in 1876 - Geertruida Rozemulder, geboren in 1879 - Jacobje Rozemulder, geboren in 1882.

Daar moeten we het dus, wat Tonnis betreft, mee doen. Toch is het nu juist interessant om te weten dat zijn moeder Geertruida, die geboren werd op 28 juni 1879, op 19 november 1902, op drieëndertige jarige leeftijd trouwde met de tweeëntwintig jarige Harm Kooi, zoon van Willem Jacobs Kooi en Elizabeth Knipper. Zoals eerder gezegd was Willem Jacobs Kooi een zoon van Jakob Klasens Kooi en Eltje Willems van der Meij. Jakob Klasens Kooi was een broer van Wobke Klasens Kooi en Pieter Derks Bogema. Hun dochter Martje Bogema trouwde Harmannus Rozemulder. Deze gegevens tonen de bloedverwantschap tussen zijn vader en moeder aan. Ik vraag me af of Tonnis dit in zijn geschriften aan de orde had willen stellen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor het gezin waarvan hij deel uitmaakte. Hij schrijft niets over zijn broers en zusters, in volgorde: Willem (* 1903), Hermannus (* 1904), Jacob (* 1906), Martje (* 1909), Elizabeth (* 1912) en Derk (* 1916). Tonnis was de laatste op rij, al werd er drie jaar na hem nog een broertje geboren, die Henderikus (* 1921) werd genoemd. Hij leefde slecht een jaar. In 1922 kwam er nog een levenloos broertje te wereld. Moeder Geertruida overleed op 20 mei 1960, tachtig jaar oud. Tonnis was toen bijna drie jaar met Aaltje Heuvelman getrouwd. Ze waren op hun huwelijksdag 3 juni 1957 bij zijn ouders ingetrokken in het huisje aan de Schapeweg 9 te Uithuizermeeden. Hetzelfde huisje waar ik hem op 12 februari 2008 sprak. Vader Harm Kooi overleed op 3 februari 1965, vierentachtig jaar oud. Grootvader Harmannus Rozemulder was intussen op 28 november 1888 overleden. Hij was drieënzestig jaar geworden. Grootmoeder Martje Bogema overleefde hem vele jaren. Zij overleed op 28 november 1927, eenennegentig jaar oud (acte 52).

***************************************************************

HET CAFÉ VAN LUB KOOI IN GODLINZE

Over de kroeg van Lubbert Kooi in Godlinze gaan veel verhalen rond. De volgende haalde ik uit enkele plaatselijke publicaties.

1. “De ouderen onder ons herinneren zich nog het bruine café waar eerst Lubbert (Lub) Kooi en later Heine en Sien Kooi de scepter zwaaiden. Voor het dorpshuis werd gebouwd waren alle bijeenkomsten ‘bij Kooi’. In de pauze ging de waard rond met in elke jaszak enige flesjes bier en in de binnenzak een fles oude klare. Hij had duidelijk een hekel aan een dienblad. Sien bleef meestal bezig achter de oude tapkast. Midden in de ‘jachtwait’ stond een grote kolomkachel met de ijzeren ring waar de gasten hun voeten op konden leggen. Dat alles gaf een bijzondere sfeer. Heine Kooi was, evenals zijn voorganger Lubbert, ook veehouder. Ook hier gold dat het café alleen geen ‘bestaan’ had.”

“Heine en Sien [geen familie overigens, SK] hadden één zoon. Hij werd dokter in Eindhoven. Zijn ouders hebben zich veel financiële offers getroost voor zijn studie.”

“In de sfeer van de dorpskroeg, bij Lub Kooi, bedacht Ekke Fransema, een bekende inwoner van Godlinze omstreeks de eeuwwisseling, zijn ridicule grappen. Een er van was de volgende: Op zekere dag parkeerde een varkenshandelaar zijn wagen vol koopwaar bij het café. Voor een korte pauze. Fransema die daar ook aanwezig was voor een paar borrels, kreeg een van zijn bizarre invallen. Nadat hij aan iemand opdracht had gegeven de laadklep van de wagen te openen en de varkens los te laten, hield hij de koopman aan de praat. Ieder die wel eens met varkens heeft gewerkt weet welk een ramp zich voltrok voor de tuintjes in de buurt. Hij kan zich ook indenken hoeveel moeite het heeft gekost om alle dieren weer in de wagen te krijgen.”

Ekke Fransema was een kleurrijke en vooral bizarre inwoner van het dorp. Zo maakte hij door een aanzienlijke schenking in 1906 de bouw van een christelijke school met onderwijzerswoning mogelijk. Een gevelsteen herinnert nog aan dat feit: “Deze school en onderwijzerswoning zijn gebouwd in den jare 1906, en gewijd aan de nagedachtenis van Jan Ekkes Fransema en Frouwke Jans Wiertsema. Soli Deo Gloria.” “Zijn wel en wee is vastgelegd in het boek ‘De kunst van het verteren’. De biografie van hem werd uitgegeven ter gelegenheid van de opening van het Fransemakabinet in de Openbare Bibliotheek in Appingedam. Tijdens de opening, verricht door de Commissaris der Koningin van Groningen, H. Vonhoff, vergeleek deze onze drinkebroer en bibliofiel met een vierkant wiel. Wel opvallend maar slecht functionerend. Het leven van deze aanvankelijk rijke, maar later failliete man was inderdaad opzienbarend. [In 1899 werd zijn vermogen geschat op FL 120.000, SK]. Het is dan ook geen wonder dat over hem veel anekdotes de ronde doen. Nog vanzelfsprekender is het dat veel taferelen zich afspeelden in café Kooi. Toen Fransema zich op een avond verveelde en het naar zijn mening tijd werd dat er wat bijzonders gebeurde, gaf hij iemand opdracht alles in het café kort en klein te slaan. ‘Maar mijnheer,’ vroeg de verbaasde klant die de opdracht kreeg, ‘waar moet ik beginnen?’ Fransema antwoordde: ‘Begin maar met de lamp.’ Aldus geschiedde en zo werd in diepe duisternis zo veel mogelijk kort en klein geslagen. Omdat Fransema alle schades ruim vergoedde en door zijn geld veel invloed op de dorpsbewoners had, is het geen wonder dat hij voor zijn wonderlijke opdrachten steeds medeplichtigen vond. Dat hij niet alleen aan grillen zijn geld spendeerde blijkt uit de door hem geschonken overtocht naar Amerika van twee dorpsgenoten. Deze wilden emigreren, maar hadden geen geld voor de overtocht. Elke verkwisting was zelfs aanvankelijk zeer welgestelde Ekke Fransema te kostbaar. Hij werd failliet verklaard en zijn bibliotheek moest worden verkocht. [Tussen 1915 en 1924 stond hij onder curatele. Zijn collectie werden voor slechts FL 1500 verkocht, SK]. Zijn kostbare boeken, vooral handelend over de historie van Groningen en over het Gronings recht, zijn in handen gekomen van de Openbare Bibliotheek te Appingedam. Daar hebben ze jarenlang op de zolder gelegen, maar nu is het Fransemakabinet zeker een bezoek waard.”

Hoe bizar het leven van Fransema was blijkt ook uit het feit dat hij op zijn eenenzestigste slaagde voor zijn doctoraal examen Rechten. Lang heeft hij hier niet van geprofiteerd. Hij overleed op 11 januari 1928, 63 jaar oud. Die dag hing de vlag op café Kooi halfstok.

Uit: Bierum, uitg. Profiel Bedum, ISBN 90-5294-040-1

2. Het dorpscafé (hoek Hoofdweg-Peperstraat) is in 1982 door brand verwoest. Het café is niet herbouwd. Vijf huurwoningen, gebouwd door de Woningstichting Bierum, vullen nu de opengevallen plek. “Een leuk voorval ging daaraan vooraf. Tijdens een inspraakbijeenkomst van Burgemeesters en Wethouders in Godlinze kwam aan de orde dat er huizen zouden worden gebouwd op de plaats waar het afgebrande café had gestaan. Het was in een tijd dat wekelijks gifvondsten in de krant werden vermeld. Vraag uit de zaal: ‘Laat u de grond onderzoeken?’ Burgemeester: ‘Waarom zou dat moeten?’ Antwoord uit de zaal: ‘Veur drank.’”

Op de kruising van de Hoofdweg met de Allersmaweg staat een groot huis: het Fransemahuis. “Bij zijn komst in Godlinze had Bruno Santanera dit pand tot zijn toekomstige woning uitverkoren. De verbouwing, met veel elan ingezet, is helaas nog niet voltooid. Vroeger woonde hier de familie Fransema. [...] Hij was, ook buiten het dorp een bekend man, door zijn rumoerig en bruisend leven. Dit leven kreeg vaak nog meer vaart door veelvuldig drankgebruik en cafébezoek. Hij studeerde rechten en haalde op bijna pensioengerechtigde leeftijd zijn bul. Over hem worden nog steeds veel anekdotes verteld. We laten hier twee volgen: Fransema vroeg, toen in Groningen het Universiteitsgebouw was afgebrand, aan Toxopeus, die een rijtuig bezat, of deze hem naar het station in Loppersum wilde brengen. Toxopeus stemde toe en de heren vertrokken, maar moesten om in Loppersum te komen café Kooi in Godlinze en café Brouwer in Zeerijp passeren. Ze deden tijdens de reis beide cafe’s aan en kwamen tenslotte in café Spoorzicht in Loppersum aan. Op een gegeven ogenblik zei de kastelein daar: ‘Als de heren met de trein willen, moeten ze zich haasten om bij het station te komen.’ Hierop antwoordde Fransema: ‘Ik ga weer met Toxopeus terug naar huis.’Als reden gaf hij op dat hij Toxopeus niet alleen terug wilde laten gaan, omdat deze een borrel op had en op de terugweg nog twee cafe’s moest passeren.”

“Als het bij Kooi te laat werd en deze naar bed ging, liet hij Fransema met de fles alleen in de gelagkamer achter. Op zekere avond moest Fransema een kleine behoefte doen, vergiste zich in de deur en kwam voor de bedstee in de logeerkamer terecht. Nu wilde het geval dat in die dagen er een nieuwe meester was gekomen, die tijdelijk zijn intrek bij Kooi had genomen. U begrijpt het al wel, meester Nieweg, een man van twee meter lengte, werd wakker, zag Fransema en ... van wateren is niets gekomen. “

********************************************************

OORLOGSERVARINGEN van JOHAN PETER ENGEL KOOI

In oktober 1993 gaf J. Peter E. Kooi, wonende in Carrolton, Kentucky, in eigen beheer een boekje uit, getiteld: ‘44. Daarin beschrijft hij in twaalf hoofdstukken de maanden van het oorlogsjaar 1944 in Mijdrecht, waar de toen 14/15 jarige Peter (geboren 1 februari 1929) met zijn ouders en zus Ina (geboren 14 december 1950) woonde. Zijn vader was Reinder Jacob Kooi (geboren 20 april 1898, overleden 9 januari 1978, 75 jaar), zijn moeder was Grietje (Margaret) Engel (geboren 7 april 1903, overleden 5 maart 1987, 83 jaar). Hij beschrijft nauwgezet hoe de tang van de bezetter steeds nauwer om hun leven sluit en hoe hun bewegingsvrijheid met de dag minder werd. Ging hij aanvankelijk nog naar school in Amsterdam, in de loop van dat jaar werden de scholen gesloten en zag hij zich gedwongen zich thuis te vermaken. Nu was dat voor de actieve en veelzijdig geïnteresseerde Peter geen enkel probleem. Zo kon hij zich nu volledig overgeven aan zijn grote hobby; modelvliegtuigbouw. Tevens was hij nu in de gelegenheid zich meer met het verloop van de oorlogshandelingen bezig te houden. Deze handelingen kwamen wel heel dichtbij toen de Duitsers in september zijn ouderlijk huis in brand staken en met de grond gelijk maakten. Enerzijds was het een waarschuwing voor ondergrondse activiteiten in de omgeving, anderzijds was het een represaillemaatregel. Vader Reinder Kooi had was leerfabrikant, gespecialiseerd in fietszadels. Een verzoek van de Duitsers om voor hen zadels te maken had hij genegeerd. Vandaar de verschrikkelijke wraak. Vader kon ternauwernood ontsnappen. Het gezin viel uiteen. Vader dook onder, Peter, zus Ina en moeder Grietje werden bij familie ondergebracht. In dezelfde maand bereikte de familie het bericht dat oom Siert Kooi, vaders jongste broer uit Alphen aan de Rijn, door de nazi’s gearresteerd was en op transport naar Duitsland gezet. Iemand had een handgeschreven briefje, geadresseerd aan zijn vrouw Neeltje, langs de rails vlak bij de Duitse grens gevonden. Oom Siert, die in Alphen slechts vrij lichte verzetshandelingen verrichtte, had moeten onderduiken, maar vanwege zijn heimwee naar vrouw en kinderen, had hij het plan opgevat om enkele dagen naar huis te gaan. Dat bezoek werd hem noodlottig en met hem werd de hele Alphense verzetsgroep verraden en opgepakt. Vader maakte ernstige zorgen over zijn jongste broer en liet een opsporingsverzoek verspreiden. Maar Siert kwam niet terug. Hij stierf een vreselijke dood in het concentratiekamp Neuengamme en werd met duizenden anderen in een massagraf begraven.

Behalve een neerslag van het oorlogsjaar 1944, geeft Peter ook algemene informatie over het verloop van de familie Kooi, eveneens ten aanzien van de periode na de oorlog. Zo staat hij stil bij zijn naamgeving. Toen hij geboren werd besloot men hem naar zijn ‘maternal grandfather’ te noemen. Opa Engel heette: Johan Peter Engel. Zijn kleinzoon kreeg als naam: Johan Peter Engel Kooi mee. Hij werd dus als oudste zoon niet naar zijn grootvader van vaders kant, Jan Lubberts Kooi, vernoemd. (Waar hebben we dat eerder gehoord?). Grootmoeder heette: Josina Alida Catharina Engel - van der Bregge. Verder noemt hij het feit dat in de eerste maanden van het jaar 1947 Ina en hij hun vier grootouders verloren. Vooral grootvader Jan Koois dood was tragisch. Opa kwam maar niet over het wrede lot van zijn jongste zoon Siert heen. Bovendien was hij zich de naderende dood van zijn vrouw Idalina sterk bewust. Hij kon daar niet mee leven. Peter merkt in zijn boek op ‘following the death of his wife, committed suicide.’ (Opvallend feit: zijn vader Lubbert Pieters Kooi maakte in 1876 eveneens een einde aan zijn leven; een jaar na de geboorte van zijn geestelijk onvolwaardige zoon Jurrien - mondelinge mededeling van Bert Kooi op 24 november 2009, Alphen aan de Rijn). Fijntjes merkt Peter op dat ook zijn tante Meintje Kooi, de jongere zuster van oom Siert hetzelfde lot trof: ‘tante Mimi’s mental stability deteriorated over the years. She became severely depressed and in 1949, also she took her own life.’ Bij Katwijk liep ze de zee in.

In 1947 wordt dominee Jean Baptiste van Halen in Mijdrecht beroepen. Hij heeft een groot gezin: vier zoons en vijf dochters. Peter verlooft zich twee jaar later met Gerda, de tweede dochter. Op 10 juli 1952 trouwen ze. Tante Da stierf in 1949. Ze liet zes kinderen achter (haar man was al eerder gestorven). Haar jongste zoon Reinder voegde zich bij de kooifamilie in Mijdrecht, waar men intussen bezig was een nieuw huis te bouwen op de fundamenten van het oude huis. In januari 1958 emigreerden Peter, Gerda en hun twee kinderen naar Canada, waar Peters zus Ina en haar man Fred Kunz al sinds 1952 woonden (zij hadden vier kinderen: Christine, Reinder, Fred en Angela). In november 1958 voegden Peters ouders zich in Canada bij hun ouders. Neef Reinder ging ook mee. Ze vestigden zich in Ancaster, Ontario. In 1968 verkochten Peter en Gerda hun huis in Ancaster en vertrokken naar de Verenigde Staten, New Jersey. Ze woonden er elf jaar. In 1979 vertrokken naar Loudonville, New-York en in 1986 naar Carrellton, Kentucky. inmiddels hebben ze vier kleinkinderen: van Reinder, die met Karen Quick trouwde: Johanna en Susan; Jean-Baptiste bleef ongehuwd; van Margaret, die met Joe Boyle trouwde: Ryan en Kelly; Christine bleef ongehuwd.Peter was zeer in familiegeschiedenissen geïnteresseerd. en onderhield daarover met Bert Kooi regelmatig contact.

*********************************************

Brief van Bert Kooi uit Alphen aan de Rijn, dd. 24 januari 1998, geschreven aan zijn nabije familie:

*************************************

HERINNERINGEN VAN MIENTJE KNOOREN-KOOI


Graag wil ik mijzelf voorstellen: ik ben Mientje Knooren-Kooi, geboren in 1938 en ik ben de oudste dochter van Anton Kooi en Maike Boels en dus de kleindochter van Klaas Kooi.

Van de eerste jaren van mijn leven kan ik me weinig van opa Klaas herinneren. Ik heb als kind de oorlog in Rotterdam meegemaakt en ben in 1946 naar Sittard verhuisd. Gedurende die tijd bezochten wij vaak opa en oma Kooi in Brunssum. Tijdens de oorlog moesten opa en oma binnen Brunssum van de Spoorstraat naar de Langeberg verhuizen vanwege bombardementsgevaar. Zij woonden namelijk voor de oorlog dicht bij de Emma en Hendrik mijnen. Hierdoor lag aan de overkant van hun huis een spoorlijn die gebruikt werd voor het kolentransport naar en van de twee mijnen. Vanwege het gevaar van luchtaanvallen van de Duitsers moest hun gehele straat worden geëvacueerd. Na de oorlog zijn zij weer teruggekeerd naar de Spoorstraat. En daar waren zij blij mee want dat huis was voor die tijd een mooie mijnwerkerswoning.

Opa was een lieve en een heel erg zorgzame man. Achter zijn huis op de Spoorstraat had hij een mooie grote tuin. Uit die tuin kregen wij na ieder bezoek altijd groenten mee. Ook had hij in het stalletje elk jaar een varken zitten dat hij vet mestte. Het vlees werd ingewekt en met kerstmis werd er altijd een groot glas vlees opengemaakt. Dit werd opgediend in combinatie met ingemaakte perziken afkomstig van de boom uit zijn tuin.

Opa had echter ook veel zorgen met name over de gezondheid van zijn tweede zoon Karel. Hij was sinds zijn geboorte slechtziende en is later geheel blind geworden. Mijn oom Karel heeft toch nog vele jaren, beperkt door zijn kunnen, gewerkt op de mijn. Zo maakte hij ook met de hand bezems en borstels die hij probeerde te verkopen.
Opa was altijd gekleed in een kort werkjasje van de mijn (zie foto). Daar voelde hij zich het beste in thuis. Hij was overigens erg trots op mijn vader Anton die adjudant van de politie is geworden. Dit ondanks fel protest van opa Klaas die niet wilde dat Anton zijn studie op de mijnschool staakte. Opa Klaas is tot de leeftijd van 70 jaar blijven werken op de mijn. In 1952 is hij overleden.

 

Klaas Kooi (met het jasje dat hij altijd droeg), kleinkinderen Nico en Mientje Kooi en Elisabeth Buchholz


*******************************************************

 

HERINNERINGEN VAN ALJE MELLE KOOI

OPGENOMEN IN HET JUBILEUMNUMMER "MENSEN VAN HET NIEUWSBLAD" VAN HET "NIEUWSBLAD VAN HET NOORDEN" EEN UITGAVE AANGEBODEN DOOR HET PERSONEEL TER GELEGENHEID VAN HET 100-JARIG BESTAAN - 1988