GENEALOGIE VAN DE FAMILIE KOOI

_______________________________________________________________________________________________________________________________________________________

 

U vindt hier een beschrijving van het geslacht KOOI, dat oorspronkelijk uit de noordoosthoek van de provincie Groningen stamt - met name de dorpen Uithuizermeeden, Roodeschool, Oosteinde (eerder: Niekerkje), Oudeschip en wat verder aan de zuidgrens van de gemeente: Oosternieland en Oldenzijl - de vroegere gemeente UITHUIZERMEEDEN (in het begin van de 19e eeuw: UITHUISTERMEEDEN), tegenwoordig gemeente EEMSMOND. (Voor het gemak kort ik ‘Uithuizermeeden’ in het genealogisch overzicht af als Uithm.).
Daarbij moet nog worden opgemerkt dat we ook vaak de naam ‘T ZANDT zullen tegenkomen. Dit kan verwarring wekken, maar hier wordt de naam van de gemeente ‘t Zandt bedoeld, terwijl de hoofdplaats van de gemeente ‘t Zandt al gauw een tweeënhalf uur lopen van Uithuizermeeden ligt. Veel Koois vestigden zich weliswaar in deze gemeente, maar deden dat met name in het dorp Zijldijk, dat tegen de noordgrens van de gemeente ‘t Zandt ligt.
Zijldijk ligt min of meer tegen Oosternieland aan, zodat de grens als het ware tussen beide dorpen doorloopt. Heden ten dage snijdt het lange en vervreemdende lint van de N 46 tussen Groningen en Eemshaven het landschap en de beide dorpen in tweeën. Een tak van de familie (TAK IV) woonde in Garsthuizen, in de gemeente STEDUM. Ook dit dorp ligt aan de uiterste noordgrens, hemelsbreed niet ver bij Oldenzijl vandaan. We zullen nog zien dat de Garsthuister Koois zich voornamelijk op Uithuizermeeden oriënteerden.



Siemen Dijkstra - Over het Uithuizerwad - houtsnede - 2005

Omdat ik zoveel mogelijk naar volledigheid wil streven, heb ik het beginpunt gelegd bij ROELF PIETERS (geboren in 1731) en WOBGE HEINES (geboren in 1741); zij trouwden in 1764. Bij de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 nam Roelf Pieters de naam ‘KOOI’ (aanvankelijk ‘KOOIJ’) aan, naar aanleiding van zijn beroep als kooiker. Deze generatie betitel ik als ‘EERSTE GENERATIE’ (1e GEN.). Was ik een generatie verder teruggegaan, dan zou dat ten koste gegaan zijn van volledigheid. Dan had ik ook de broers van Roelf Pieters in de stamboom moeten opnemen. Dat is niet gebeurd, omdat op dat punt te veel onzekerheden bestaan. Dit geldt ook voor de problematiek rond het aannemen van een familienaam in 1811. Zo koos een van de broers van Roelf Pieters - Brond Pieters - voor de naam ‘Lantinga’. De Koois en de Lantinga’s waren dus aanvankelijk sterk aan elkaar gerelateerd, maar na verloop van tijd zou de verwantschap minder interessant zijn en niet meer goed te duiden. [Overigens: ik ben er nog niet helemaal van overtuigd of Brond Pieters een broer van Roelf Pieters was].
Vandaar mijn keuze voor Roelf Pieters en Wobge Heines als stamouders van de ‘GENEALOGIE KOOI’. Het streven naar overzichtelijkheid maakt het ook noodzakelijk alleen de mannelijke lijn te volgen. De vrouwelijke lijn wordt alleen in eerste instantie genoemd, in combinatie met de naam die de vrouw kreeg vanwege haar huwelijk. Zoveel mogelijk worden dan ook nog de kinderen genoemd, maar daarna houdt de vermelding op.
Saillant detail: tussen het geboortejaar van Wobge Heines, mijn oudgrootmoeder, die geboren werd 1741 en mijn geboortejaar 1941, ligt precies 200 jaar, een periode die zeven generaties overbrugt. Een andere parallel: tussen het huwelijksjaar 1868 van mijn overgrootvader Siemen Jans Kooi met Wilhelmina bij ‘t Werk en 1968, het jaar dat ik met Janneke van der Haar in het huwelijk trad, ligt precies 100 jaar.

Roelf Pieters en Wobge Heines kregen elf kinderen, van wie vier zoons voor de continuïteit van de stamboom zouden zorg dragen. Deze zoons vormen de vier hoofdtakken van de boom.
Dit zijn achtereenvolgens:

2e GEN. - TAK I - PIETER ROELFS (KOOI), geboren in 1771,

2e GEN. - TAK II - HEINE ROELFS (KOOI), geboren in 1772,

2e GEN. - TAK III - KLAAS ROELFS (KOOI), geboren in 1776,

2e GEN. - TAK IV - SIJMEN ROELFS (KOOI), geboren in 1782.

Deze vier hoofdtakken en hun loten vormen de inhoud van deze genealogie. Ik heb er echter voor gekozen niet ‘taksgewijs’ te werk te gaan, maar ‘generatiegewijs’. Dat betekent dat, zoals gezegd, de generatie van ROELFS PIETERS en WOBGE HEINES als eerste generatie wordt beschouwd (1e GEN.). De verschillende generaties vormen dus de hoofdstukken van deze genealogie, uitmondend in enkele nazaten die de laatste generatie vormen (9e GEN.). Door de betreffende knoppen in te toetsen, kan het verloop van elke afzonderlijke generatie worden gevolgd. (Behalve de eerste en tweede generatie die samengevoegd zijn - 1e en 2e GEN - evenals de laatste drie generaties - 7e, 8e en 9e GEN.).

Wat de hoofdstam (1e GEN.) betreft geef ik hieronder zoveel mogelijk de schaarse gegevens weer van wat er bekend is van deze generatie en de daaraan voorafgaande, zonder echter naar volledigheid te streven. Het mag duidelijk zijn dat zo’n poging een heilloze weg is. Het gros van onze voorouders bestond uit ‘naamloze’ dagloners en boerenknechten, die blij mochten zijn als ze enigermate hun brood konden verdienen en gezond in leven konden blijven. Zij lieten weinig herkenbare sporen na.

Om dit te illustreren heb ik gebruik gemaakt van het intensieve genealogische onderzoek, dat indertijd door Tonnis Kooi (geboren in 1918) uit Uithuizermeeden is verricht met betrekking tot het geslacht Rozemulder, dat op enkele punten gerelateerd is aan het geslacht Kooi. U kunt delen van dit onderzoek raadplegen onder het kopje ‘VERHALEN’.

Onder deze knop zijn eveneens andere verhalen en herinneringen aan voorouders te vinden. Graag ontvang ik deze verhalen/herinneringen, al dan niet voorzien van illustratiemateriaal, zoals foto's, trouwboekjes, krantenartikelen etc., zodat ze kunnen worden toegevoegd. Mijn mailadres vindt u hieronder.



daglonershuisje openluchtmuseum 'Het Hoogeland' te Warffum

Het past mij hen te bedanken die mij behulpzaam geweest zijn bij mijn zoektocht naar het verleden van mijn voorouders. Dat zijn uiteraard de tientallen afstammelingen van Roelf Pieters en Wobge Heines die ik, soms door zomaar het telefoonboek te raadplegen, telefonisch raadpleegde. Ik kan ze hier onmogelijk allemaal noemen, maar ze zijn voor mij van onschatbare waarde geweest. Wel noem ik hen die mij hun vertrouwen, tijd en gastvrijheid schonken door mij persoonlijk te woord te staan en mij soms van waardevol fotomateriaal te voorzien. Van hun verhalen heb ik genoten.

In de beginfase was dat vooral Simen Arent Kooi uit Breda (geboren in 1964), die niet alleen actief heeft mee gezocht naar sporen uit het verleden (zo had hij een fijne neus voor familie die naar Noord-Amerika was geëmigreerd, maar ook gaf hij mij inzage in verschillende bronnen (boeken, foto’s ed). Bovendien was hij zo vriendelijk om de gegevens in een genealogisch computerprogramma over te zetten. (Het programma ‘Aldfaer’ is echter voorlopig buiten werking gesteld om gelegenheid te hebben de vele nieuwe gegevens en aanvullingen in te voeren).

Verder waren dat: Stina Rook-Kooi, Rolde (geboren in 1930),Abel Kooi, Wijchen (geboren in 1951), Tonnis Kooi, Schapeweg, Uithuizermeeden (geboren in 1918), die zich jarenlang bezig hield met genealogisch onderzoek, Harm en Ina Kooi, Tuinbouwweg, Uithuizermeeden (geboren in 1935), Evert Kooi, Radsweg, Oudeschip (geboren in 1929) en Suzanne Kooi, Rolde (geboren in 1932).

In tweede instantie sprak ik: Anje Ida Hekkema-Kooi, Zr.Kortestraat, Roodeschool (geboren in 1913), Fré Swijghuizen, Bierum (geboren in 1920) en Siert Jan en Grietje Kooi (geboren in 1934).
Ook hen ben ik veel dank verschuldigd.

Verder zijn dat: Jan Hinderk en Netty Kooi (geboren in 1931) in het verre Landgraaf en Aafke Kramer (geboren in 1935) en haar man Bene Baar, Lange Drift, Uithuizermeeden, alsmede Jan van der Molen.

Door de invloed van internet is de ontwikkeling van de genealogie - ook die van het geslacht Kooi - in een stroomversnelling geraakt. Van tijd tot tijd nemen verre, mij nog onbekende familieleden contact met mij op, omdat ze al zoekend naar hun voorouders op het web, mijn site voorbij zagen komen. Zo kreeg ik verschillende keren waardevolle informatie op punten waar mijn onderzoek gestagneerd was. Steeds was er een overvloed aan documentatiemateriaal (foto's, akten, etc.)

Meer recentelijk waren dat:
- Bert Kooi uit Alphen aan de Rijn (geboren in 1930). Bert had belangrijke aanvullingen op een opmerkelijke open plek in de genealogie waar ik mijn vinger, ondanks mijn herhaalde naspeuringen, niet achter kon krijgen. Hij is een nazaat van Pieter Roelfs Kooi en Trijntje Jensema, een lijn die gelukkig nu meer ontsloten is. Het contact met Bert en zijn echtgenote Anneke Haring, werd op 24 november 2009 gelegd.

- Vervolgens noem ik Anny Kooi - Smeets uit het verre Limburg - Einighausen-Sittard - (geboren in 1945). Zij kwam met een belangrijke aanvulling met betrekking tot een halfzuster van mijn grootvader Siemen Kooi: Grietje Kooi, die op 34-jarige leeftijd, in 1890, met Germt Hollander trouwde. Van haar tweede voorkind, Klaas Kooi (haar eerste: Simen Kooi, was in 1880 op 2-jarige leeftijd overleden), had ik geen enkele notie. Deze Klaas Kooi, geboren in 1881, liet in het Limburgse een grote schare nakomelingen na, onder wie Nico Kooi, de echtgenoot van Anny. Wij hadden in het najaar van 2010 vooral telefonisch- en mailcontact.

- Dan is daar ook Harma Kooi uit Warfum (geboren in 1965), die ineens enkele van de vele raadsels omtrent de nakomelingen van Tonnis Kooi en Christine Groendijk wist op te lossen. Ook zij nam contact met mij op. De mysterieuze, in 1911 in Zuidlaren geboren en een half jaar later overleden Albert Kooi, bleek ineens een tweelingbroer te hebben: Eltjo Kooi, van wie ik het bestaan niet had vermoed. Ook hij zorgde voor een grote schare nakomelingen. Harma Kooi is een van hen. Ik bezocht Harma en haar ouders, Jacob Kooi en Klaaske van Ellen, op 16 oktober 2010 in Uithuizen.

- Tenslotte noem ik Johanna Tingelaar uit Uithuizen (geboren in 1953), een achterkleinkind van Anje bij 't Werk, een andere halfzuster van mijn grootvader Simen Kooi, die, zoals we zullen zien, door het volgen van de vrouwelijke lijn tot verrassende resultaten kwam. Ik bezocht Johanna en haar moeder Sien Tingelaar - Dopma eveneens op 16 oktober 2010 in Uithuizen.

In alle gevallen bleek de stamboom minder tot uitsterven gedoemd, dan ik aanvankelijk had aangenomen!
Nogmaals, mijn hartelijke dank!

Ik speel met de gedachte deze webpagina’s binnenkort in boekvorm uit te geven. Het zou goed zijn dan nog vollediger te zijn. Daarom sta ik open voor kritiek, aanvullingen, verhalen, (foto) materiaal etc., zodat deze genealogie nog aantrekkelijker wordt. Dit geldt uiteraard ook voor wijzigingen die door geboorten, huwelijken en overlijden worden veroorzaakt. Ook daarvan word ik graag op de hoogte gebracht.

Voor mijn onderzoek heb ik gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Behalve de mondelinge inlichtingen die ik kreeg, bezocht ik veelvuldig het onvolprezen Historisch Archief in Groningen, waar de Bevolkingsregisters, die werden opgesteld door middel van tien jaarlijkse volkstellingen, alsmede de gegevens van de Burgerlijke Stand met de geboorte- , huwelijks- en overlijdensakten vanaf 1811, de kerkelijke doop-, huwelijks- en overlijdensboeken voor 1811, en de minutieus bijgehouden Tienjaren Tafels kunnen worden geraadpleegd. Ook bezocht ik enkele malen het gemeentelijk archief in Uithuizen voor andersoortige en vaak interessante informatie voor de çouleur locale’, zoals gemeenteraadsverslagen en de hierboven genoemde belasting- en schoolgeldkohieren.

Uiteraard gebruikte ik ook de gegevens van genealogische websites als Genlias, en ‘Alle Groningers’ van het Historisch Archief in Groningen en websites die informatie verschaften over de emigratie van onze voorouders naar Noord Amerika. Ten aanzien van de vertrokken voorouders nog het volgende. In sommige gevallen was het wel mogelijk geboortedata van personen te achterhalen, maar bleef de zoektocht naar huwelijks- of overlijdensdata zonder resultaat. In die gevallen zou het mogelijk kunnen zijn dat de betreffende persoon was geëmigreerd. Dit zet jammer genoeg het waarheidsgehalte van onze genealogie enigszins op losse schroeven. We kunnen niet volledig zijn: in werkelijkheid zijn er immers meer nakomelingen dan hier beschreven zijn.


Sjoukje Iedema - Haven Schiermonnikoog - olieverf op paneel - 2006

 


Annette van de Vegte - Op het Wad - acryl op paneel - 2008

_____________________________________________________________________________________________________________________________________

 

VOORAF

In tegenstelling tot de meeste genealogieën, die verticaal en taksgewijs opgebouwd zijn, heb ik een meer horizontale en generatiegewijze benadering toegepast; dat wil zeggen dat ik niet in eerste instantie voor ‘diepte’, maar voor ‘breedte’ heb gekozen. Op deze manier prevaleren de generaties boven de takken van de stamboom; de takken worden daarbij als het ware doorkruist. Het voordeel van deze werkwijze is dat er een beter beeld ontstaat van de tijd of periode waarin de personen uit de genealogie hebben geleefd. Een nadeel is echter dat het voor de lezer nu wat moeilijker wordt om direct vanuit een voorouder een afstammingslijn naar het heden te trekken, of omgekeerd.

Enkele opmerkingen vooraf zijn nodig om het karakter van de genealogie van de familie Kooi beter te begrijpen. In de eerste plaats is van het van belang te weten dat het geslacht Kooi van origine een eenvoudig, weinig gecompliceerd geslacht was. Op een enkele uitzondering na behoorde iedereen tot de onaanzienlijke ‘kaste’ van dagloners, boerenmeiden en -knechten en dienstmeiden. Het leven was een voortdurende strijd om het bestaan. Men woonde in nietige huisjes, die overal in het land verspreid stonden. Honger, ziekte en dood lagen dagelijks op de loer. De kindersterfte was bijzonder groot en het kwam regelmatig voor dat de pas bevallen moeder met het kind in het kraambed stierf. Om hun gezin dan te kunnen onderhouden werden de weduwen min of meer gedwongen om opnieuw te trouwen. Vaak gebeurde dat met een (veel) jongere vrouw.

Voor ons in de 21e eeuw is het moeilijk voorstelbaar hoe men twee eeuwen geleden op het Groninger Hoogeland met deze gebeurtenissen omging. Uit verschillende verslagen van artsen uit die tijd weten we dat de dood van een kind in de doorgaans grote gezinnen vaak als een uitkomst werd beschouwd: er was immers weer een mond minder te voeden - men deed er niet dramatisch over. Op die manier werd het kerkhof een soort alternatief voor geboortebeperking. Ook de reacties op de veel voorkomende kraamvrouwensterfte zijn voor ons onbegrijpelijk. De dood van een schaap of een koe werd soms zwaarder gevoeld als de dood van de vrouw. De snelheid waarmee de weduwnaar in de regel - soms meerder malen - hertrouwde, zegt wat dat betreft genoeg.

Lopen we de lijsten van de Bevolkingsregisters door - die om de tien jaar middels volkstellingen werden bijgehouden - dan zien dat op een adres vaak meerdere gezinnen woonden. Als men bedenkt dat deze daglonershuisjes bijzonder klein waren, dan kan men zich enigszins een idee vormen hoe opeengepakt men in een uiterst ongezonde omgeving woonde. Betrekt men daarbij ook de inferieure voeding en de slechte samenstelling van het drinkwater, dan wordt het begrijpelijk dat de gemiddelde leeftijd in die periode niet hoger was dan veertig jaar.

Tegen die achtergrond mag het duidelijk zijn dat in een dergelijk miserabel bestaan geen eigendommen - huizen, boerderijen, goederen etc. - aanwezig waren, die op de een of andere manier moesten worden beschreven. Dit in tegenstelling tot het leven van de rijke herenboeren bij wie onze voorouders van de vroege ochtend tot de late avond voor een hongerloontje werkten. De transacties van de boeren werden notarieel vastgelegd en er moest belasting betaald worden; gegevens die doorgaans vaak tot in een ver verleden, vandaag de dag ten behoeve van stamboomonderzoek kunnen worden geraadpleegd. Van onze voorouders is, op een enkele uitzondering na, vrijwel niets vastgelegd. De genealoog is dan aanwezen op doop-, huwelijks- en overlijdensboeken, die op simpele wijze door de kerk werden bijgehouden. Onderzoek is dan problematisch, omdat het moeilijk is om te kunnen achterhalen of bijvoorbeeld Roelf Pieters en Klaas Pieters broers zijn en dus dezelfde ouders hebben, of dat er helemaal geen familierelatie is.
Daarom is de invoering van een systematische burgerlijke stand in 1811 door de Franse overheersing een uitkomst voor de genealoog die te maken heeft met een stamboom die vrijwel louter uit ‘kleine luyden’ bestaat. De in 1811 aangenomen achternaam geeft houvast en de zekerheid met eenzelfde familie van doen te hebben.

Dit alles brengt met zich mee dat het weinig zin heeft op zoek te gaan naar voorouders die in een zo ver mogelijk verleden hebben geleefd. Ik bepaal daarom onze ‘stamoudste’ als degene die zich in 1811 in Noordoost-Groningen van de naam ‘Kooi’ als familienaam heeft voorzien.
Dit was ROELF PIETERS (KOOI), die als kooiker de eendenkooi van de adellijke familie Alberda/Rensuma beheerde.
Daarbij moet opgemerkt worden dat er op dat moment nog iemand anders in die omgeving was, die zich ‘Kooi’ noemde. Dat was JAN EDZES (KOOI), die op geen enkele manier aan onze Roelf Pieters verwant was, maar wiens afstammingslijn zich zo af en toe wel eens met die van ons zou vermengen, zoals we nog zullen zien.

Roelf Pieters was gehuwd met WOBGE HEINES. Haar moeder was Fenje Garmts en het heeft er alle schijn van dat zij uit een landbouwersfamilie kwam. Daarom was het mogelijk deze ‘Garmts-lijn’ wat verder in de geschiedenis na te lopen. De Kooi-familie heeft in zoverre is na te gaan van deze meer vermogende afstamming geen profijt gehad.

Ook van de SIERTSEMA-familie, waarbinnen een van de zoons van Roelf Pieters en Wobge Heines - PIETER ROEFS KOOI (TAK I) - wist door te dringen, is tot op enkele generaties terug de afstamming te traceren. Als landbouwers lieten zij diepere sporen na dan de dagloners die voor hen werkten. Hierbij moeten we niet uit het oog verliezen dat het boerenbedrijf, dat Siepke Jans Siertsema met Pieter Roelfs Kooi en hun beide zoons Siert en Lubbert runden, in omvang zeer bescheiden was.

Om dit te illustreren is het interessant om de ‘Kohiers van Hoofdelijken Omslag’ in het archief van Uithuizermeeden te raadplegen. Degene die in het begin van de zestiger jaren (1860, 1861) de hoogste belasting moest afdragen was Jonkheer Theodorus van Swinderen, landeigenaar, wonende op huisnummer A122 - hij betaalde jaarlijks F165; een vermogen in
die tijd. Daarna kwam Egge Huizinga, landbouwer, wonende op huisnummer A23. Hij werd voor F120 per jaar aangeslagen. De lijst laat verder landbouwers zien die in een dalende eeks
hun tientallen guldens per jaar moesten betalen.

De laatste landbouwers uit de rij zijn:
SIERT en LUBBERT KOOI, wonende op huisnummer C110, die ieder F6 belasting per jaar moesten betalen. Een enorm verschil vergeleken met de bovenste namen. Siert en Lubbert Kooi waren dus echt de minst vermogende landbouwers uit de streek.
De rij wordt gesloten door een handjevol dagloners, onder wie JAN PIETERS KOOI, 57 jaar (in 1860), dagloner, wonende op huisnummer D5, die F0,60 aan belasting moest betalen. Voor 1862 golden dezelfde bedragen. In 1863 moesten Siert en Lubbert Kooi F4,50 betalen en kwam Jan Pieters Kooi niet meer in de lijst voor. Dat beeld zet zich voort tot 1870:
Siert Kooi wordt nu voor F9 aan geslagen, zijn broer Lubbert voor F6,75.

[We zullen later zien dat Jan Pieters Kooi, Siert Pieters Kooi en Lubbert Pieters Kooi broers waren, de enig in leven gebleven zoons van Siepke Siertsema en Pieter Roelfs Kooi. Siert en Lubbert hadden het bescheiden boerenbedrijf van hun ouders overgenomen en betaalden dus een gering bedrag aan belasting. Ook Jan Pieters Kooi werd als vrijwel enige dagloner in de gemeente aangeslagen voor het misschien wel symbolische bedrag van F0,60 per jaar. In het jaar dat hij zestig werd, in 1863, wordt zijn naam niet meer vermeld en hoefde hij kennelijk geen belasting meer te betalen].

Vanaf 1875 worden we met een ander systeem geconfronteerd: Lubbert Kooi, landbouwer, heeft dan een geschat inkomen van F1830, en met vier kinderen is het bedrag van de aanslag F24,56. [Siert is dan inmiddels, op 1 januari 1875 overleden, 65 jaar oud].
Ook wordt J.J. Kooi, landbouwer, genoemd [geen familie] met een geschat inkomen van F1090, met vier kinderen is het bedrag van zijn aanslag F8,72.

[Deze J.J. Kooi is Jan Jans Kooi, een kleinzoon van de hierboven genoemde Jan Edzes, die in 1811 ook de familienaam ‘Kooi’ aannam. Hij was in 1821 geboren en trouwde, evenals onze Jan Pieters, met een rijke boerendochter: Eltje Melles Huizinga. Jan Jans was op 24 januari 1846, de huwelijksdatum, 21 jaar; Eltje Melles was 30 jaar. We zullen een jongere zuster van Jan Jans: Trijntje Jans Kooi hieronder nog tegenkomen. Van een onbekende man kreeg zij voor haar huwelijk met Frikke Willems Molag een kind, die zij Alje Jacobs Kooi noemde. We zullen nog zien dat deze onbekende man niet zo onbekend is als het lijkt, maar Alje Jacobs Boelema heet, die zijn sporen ook in deze stamboom heeft nagelaten].

In 1880 bedraagt het geschatte inkomen van de weduwe Lubbert Kooi - Trijntje Jacobs Jensema - F1600, en met drie kinderen is het bedrag van de aanslag F19,24. [Lubbert is dan inmiddels, op 17 augustus 1876 overleden, 60 jaar oud]. J.J. Kooi, die nu voerman blijkt te zijn, heeft een geschat inkomen van F1000, hetgeen met twee kinderen neerkomt op een jaarlijkse aanslag van F7,80.



Siep Kooi - Terschellinger wad - februari 2004

Een andere manier om de levenstandaard van onze voorouders in kaart te brengen zijn de resultaten van een onderzoekje naar de vraag of en hoelang hun kinderen naar school gingen.
(We zullen nog zien dat velen ‘de schrijfkunst’ niet machtig waren en daarom geboorte-, huwelijks-, en overlijdensakten niet konden ondertekenen). Daartoe beschikken we over registers waarin de te betalen schoolgelden werden bijgehouden. Jammer genoeg zijn daarvan in het archief van Uithuizermeeden - nu aanwezig op het gemeentehuis van Eemsmond in Uithuizen -slechts enkele jaren aanwezig, namelijk de jaren 1871, 1872, 1873 alsmede de jaren 1881, 1882, 1883, 1884, 1885, 1886, 1887, 1888 en 1889.

Lopen we de jaren 1871/1873 door met in ons achterhoofd de namen die in onze stamboom voorkomen, dan duiken er slechts enkele op. In de eerste plaats is dat weer Lubbert Pieters Kooi. Lubbert trouwde laat - pas op achtendertigjarige leeftijd - en kreeg zes kinderen: Pieter Lubberts, geboren in 1854, Jacob Lubberts, geboren in 1858, Siepke Lubberts, geboren in 1861, Siert Lubberts, geboren in 1876, Jan Lubberts, geboren in 1870, Jurrien Lubberts, geboren in 1875. Uit het register blijkt dat alleen SIEPKE KOOI in de jaren 1871 t/m 1873 naar school ging.

In 1871 was zij 10 jaar en betaalde vader Lubbert Kooi zowel in het 1e, het 2e, het 3e en het 4e kwartaal 75 cent aan schoolgeld (F3 per jaar). Dit gold ook voor de jaren 1872 en 1873 toen SIEPKE respectievelijk 11 en 12 jaar oud was. [We zullen nog zien dat zij in 1894 met Jan Stoit trouwde en in 1944 overleed, 83 jaar oud].
Ook haar jongere broertje SIERT ging naar school. Hij begon, 5 jaar oud, in het 2e kwartaal 1872; daarna het 3e en 4e kwartaal. In 1873 volgde hij alle 4 kwartalen onderwijs.
Ook hiervoor betaalde Lubbert Pieters Kooi 75 cent per kwartaal. Siert overleed, 17 jaar oud, in 1884.

Dan komen we bij een van de kinderen van Jan Pieters Kooi - de broer van Lubbert: Roelf Jans Kooi, een volgende generatie dus. (Jan was op twintigjarige leeftijd getrouwd). Hij kreeg vijf kinderen: Jan Roelfs, geboren in 1855, Hinderikus Roelfs, geboren in 1856, Ettje Roelfs, geboren in 1860, Pieter Roelfs, geboren in 1867, Siemon Roelfs, geboren in 1871. Alleen ETTJE en PIETER volgden in de jaren 1871 t/m 1873 gedurende enkele kwartalen onderwijs, blijkt uit de lijst.

In 1871 was ETTJE 11 jaar en ging zij alleen in het eerste kwartaal naar school (75 cent). In 1872 was ETTJE 12 jaar en ging zij in het 1e en 2e kwartaal naar school. Hiervoor betaalde Roelf Jans Kooi 2 x 25 cent. In het 3e kwartaal van dat jaar ging haar jongere broertje PIETER, 5 jaar oud, naar school. Daarvoor werd 75 cent betaald. [Ettje zou in1881
met Frik Tiggelaar trouwen en in 1925 in Amerika overlijden, 64 jaar oud; Pieter zou in 1896 met Willemina Swijghuizen trouwen en in 1963 overlijden, 95 jaar oud].

Overige leden van de Kooi-familie komen in de schoolgeldarchieven van 1871 t/m 1873 niet voor. Men zou zich kunnen voorstellen dat sommige kinderen wel naar school gingen en onderwijs volgden, maar die vanwege de armlastige levensomstandigheden van hun ouders niet in de schoolgeldlijsten waren opgenomen. Dat is niet het geval. Kinderen voor wie geen schoolgeld betaald hoefde te worden, werden wel in de lijsten opgenomen, maar voorzien van de aantekening ‘vrijgesteld wegens onvermogen’. Dat is bijvoorbeeld het geval met Heine Kooi, die overigens van de andere Kooi-familie afkomstig was.

Verder zijn nog opgenomen: Berend Noordhuis, de latere echtgenoot van Janna Oosterman - weduwe van Siert Jans Kooi - zoals we nog zullen zien. Van zijn kinderen ging alleen de in 1876 geboren dochter Jantje naar school In 1861 ging zij, 10 jaar oud, alleen het eerste kwartaal naar school, waarvoor Berend Noordhuis 75 cent aan schoolgeld moest betalen. Ook het jaar daarop, 1872, ging zij alleen het eerste kwartaal naar school. Het Bevolkings-Register 1870-1880 leert dat zij een jaar later, op 10 juni 1873, 12 jaar oud naar ‘t Zandt vertrok om te gaan werken.

Andere namen die we nog zullen tegenkomen zijn die van de familie Pieterman en Boelema. Van Klaas Pieterman ging zijn zoon Jan alleen het 1e kwartaal van 1871 naar school (75 cent). Zijn dochter Trijntje ging het 2e en 3e kwartaal van 1871 naar school (75 cent); het 4e kwartaal eveneens (50 cent). Het jaar daarop ging zij alleen het 4e kwartaal naar school (50 cent).

J. Boelema betaalde voor zijn zoons Berend en Jacob het volgende: 2e kwartaal 1871: 150 cent; 4e kwartaal 1871: 50 cent. 2e en 3e kwartaal 1872: 125 cent; 4e kwartaal 1872: alleen Berend: 50 cent. 1e kwartaal 1873: 150 cent; 2e kwartaal 1872: alleen Jacob: 25 cent.

Richten we ons vervolgens tot het ‘Journaal van het Kohier van Schoolgelden’ betreffende de jaren 1881/1889 - een latere generatie - dan zien we een vergelijkbaar beeld. Ook nu zijn er maar weinig kinderen uit de kooifamilie die onderwijs volgen.
In het ‘Dienstjaar’ 1881 worden 228 namen genoemd van ouders die schoolgeld betaalden. De naam ‘Kooi’ komt slechts vier maal voor, waarvan er drie tot onze familie behoren. Om redenen, die later duidelijk zullen worden, volg ik ze in dit overzicht allemaal.

- A. Kooi (dat is Alje Jacobs Kooi - geen familie!) betaalde voor 2 kwartalen: 2 x 75 cent. Dit betrof FRIKKE, zijn eerste zoon van zijn eerste vrouw Siepke Ausema. Hij was op 7 mei 1875 geboren; hij was dus nog maar 5 jaar.
- Wed. L. Kooi (dat is Trijntje Jensema, weduwe van Lubbert Pieters Kooi) betaalde voor 2 kwartalen: 2 x 50 cent. Dit betrof JAN LUBBERTS, het zevende kind van Trijntje Jensema en Lubbert Pieters Kooi, die in 1876 was overleden. Jan Lubberts was op 25 april 1870 geboren; hij was dus 9 jaar. Later zou hij trouwen met Idalina Werkman; hij werd onderwijzer.
- Roelf Kooi (dat is Roelf Jans Kooi, het derde kind van Jan Pieters Kooi en Ettje Alderts) betaalde voor 2 kwartalen: 2 x 75 cent. Dit betrof SIEMON ROELFS, zijn zesde kind. Hij was op 20 december 1871 geboren; hij was dus 9 jaar. Hij zou later met Trientje Weert trouwen.
- Simen Kooi (dat is Simen Jans Kooi - mijn betovergrootvader - het vierde kind van Jan Pieters Kooi en Ettje Alderts) betaalde voor 1 kwartaal: 1 x 25 cent. Dit betrof ETJE SIMENS, het tweede kind van Simen en zijn tweede vrouw Wilhelmina bij ‘t Werk. Zij was op 3 september 1872 geboren; zij was dus 8 jaar. Zij zou later met Floris Spijk trouwen.

Vanaf het Dienstjaar 1882 worden de schoolgelden nauwkeuriger bijgehouden; het schoolgaan is ook minder duur. Het blijkt nu dat het om vijf scholen gaat: de school van Schetsberg (in Uithuizermeeden), de school van Kuipers (in Roodeschool), de school van Olthof (in Oudeschip), de school van Zuidema (in Oosternieland) en de school van Rouaan (in Oldenzijl).
- FRIKKE (6 jaar) bezoekt de dagschool het gehele jaar: (4 kwartalen x 3 maanden x 25 cent);
- ETJE (9 jaar) bezoekt het eerste kwartaal een maand de dagschool (25 cent). Ze verlaat dan de school, om plaats te maken voor haar broer SIMEN SIMENS (mijn grootvader) - het derde kind van Simen Kooi en Wilhelmina bij ‘t Werk. Hij was op 25 september 1875 geboren; hij was dus 7 jaar. Hij bezoekt de school het 2e, 3e en 4e kwartaal (3 x 3 x 25 cent). Hij zou later trouwen met Hillechien de Groot en was een deel van zijn leven koetsier.

In 1883 komen ook andere kinderen in beeld:
- Alleen FRIKKE (7 jaar) bezoekt de school het gehele jaar: (4 kwartalen x 3 maanden x 25 cent).
- SIMEN KOOI (8 jaar) bezoekt nu gedurende 3 eerste kwartalen 3 maanden de school (3x 3 x 75 cent). Het vierde kwartaal bezoekt zijn jongere zusje PIETERKE SIMENS gedurende twee maanden de school (2 maanden = 50 cent). Zij is het vierde kind van Simen Kooi en Wilhelmina bij t ‘Werk. Zij was op 24 juni 1878 geboren; zij was dus 5 jaar. Zij zou later trouwen met Jan Pieterman en op achtentwintigjarige leeftijd overlijden.
- Ook TONNIS WILLEMS KOOI (het vijfde kind van Willem Jakobs Kooi en Lijzabeth Knipper) bezoekt het gehele jaar de school (4 x 3 x 25 cent). Hij was geboren op 30 juli 1874; hij was dus 8 jaar. Hij zou later trouwen met Christine Groendijk. Het derde en vierde kwartaal komt ook zijn broertje KLAAS WILLEMS (het zesde kind van Willem Kooi en Lijzabeth Knipper) op school (2 x 3 x 25 cent). Hij was geboren op 20 juni 1877; hij was dus 6 jaar. Hij zou overlijden op ............
- Ook WILLEMINA PIETERS (MINA, zoals ze in het Kohier vermeld wordt) en haar broertje JAN PIETERS gaan de school bezoeken: het tweede en vierde kwartaal twee maanden (2 x 2 x 25 cent) en het derde kwartaal drie maanden (1 x 3 x 25 cent). Zij zijn het eerste en tweede kind van Pieter Jans Kooi en Anje Buurman, resp. geboren op 11 december 1876 (7 jaar) en op 17 januari 1878 (5 jaar). Mina zou later met Arent Dobbema trouwen; Jan met Derktje Brondijk.
- Dan is er nog FREDERIK KOOI, die gedurende het tweede, derde en vierde kwartaal de school bezoekt. Hij is een zoon van Barteld Kooi (geen familie!) en Martje de Boer, geboren op 8 februari 1878; hij was dus 5 jaar.
(Voor de volledigheid: ook ELIZABETH KNOL, de latere echtgenote van Roelf Simens Kooi bezoekt het gehele jaar de school; betaald door haar vader Alje Knol).

In 1884 krijgen we het volgende plaatje:
FRIKKE (8 jaar) bezoekt weer het hele jaar de school (4 x 3 x 25 cent). Het tweede, derde en vierde kwartaal wordt ook zijn zusje TRIJNTJE KOOI naar school gestuurd. Zij was geboren op 18 september 1878; zij was dus 6 jaar.
Ook SIMEN (9 jaar) is weer van de partij. Het eerste, tweede en vierde kwartaal drie maanden (3 x 3 x 25 cent); het derde kwartaal twee maanden (1 x 2 x 25 cent). Zijn zusje PIETERKE (6 jaar) zien we alleen het derde (1 maand) en vierde kwartaal (3 maanden) terug.
MINE en JAN gaan alleen het eerste kwartaal gedurende 3 maanden naar school. Daarna worden ze door vader Pieter Jans van school gehaald.
Ook Willem Jakobs laat het afweten: TONNIS gaat niet meer naar school. KLAAS (7 jaar)wel, hoewel slechts het eerste kwartaal, gedurende 3 maanden.
FREDERIK KOOI (6 jaar ) gaat het hele jaar door naar school.

Vanaf 1885 haakt vrijwel iedereen af.
- In 1885 stuurt alleen Barteld Kooi zijn zoon FREDERIK (7 jaar) gedurende het gehele jaar naar school. Het vierde kwartaal ook zijn broertje HARM.
- In 1886 gaat FREDERIK (8 jaar) weer het gehele jaar naar school. Zijn broertje HARM alleen het eerste kwartaal.
- In 1887 gaat FREDERIK (9 jaar) weer het gehele jaar naar school.
- Ook Alje Jakobs Kooi, die inmiddels getrouwd is met zijn tweede vrouw Martje Ausema gaat weer een kind naar school sturen: JANNES (het vierde kwartaal). Hij werd geboren op 19 maart 1881; hij was dus 6 jaar.
- In 1888 gaat FREDERIK (10 jaar) weer het gehele jaar naar school. Zijn broertje JAN gaat alleen het derde kwartaal naar school.
- Alje Jakobs Kooi stuurt nu zijn zoon FRIKKE (12 jaar) alleen het eerste kwartaal naar school. Zijn zusje TRIJNTJE alleen het tweede en derde kwartaal. Zij werd geboren op 7 september 1878; zij was dus 10 jaar.
- In 1889 tenslotte stuurt Barteld Kooi ook FREDERIK (11 jaar) weer het gehele jaar naar school. Frederik zou later timmerman; hij trouwde in 1906 met Kornelia Sijtsema.
- Alje Kooi stuurt het eerste, tweede en vierde kwartaal TRIJNTJE (11 jaar) naar school. Het derde kwartaal gaat haar zusje JACOBINA. Zij werd geboren op 30 oktober 1883; zij was dus 6 jaar.



Siep Kooi - Terschellinger wad - februari 2004

Onze voorouders uit de negentiende eeuw genoten dus weinig onderwijs en we kunnen ervan uitgaan dat degenen uit ons daglonersvoorgeslacht, die hun kinderen wel naar school stuurden - ook al was het slechts voor een kwartaal - dat heel bewust deden. Het komt weliswaar veel voor dat op geboorte- huwelijks- of overlijdensakten te lezen valt dat de betrokkene niet kon tekenen, omdat hij of zij de schrijfkunst niet machtig was, maar ook ziet men vaak een onbeholpen handtekening. Dit maakt dan nieuwsgierig naar de manier waarop die handtekening tot stand kwam.

Wat de handtekeningen betreft wil ik nog de volgende opmerking maken. De geboorteakte werd mede ondertekend door (meestal) de vader, die zijn kind aangaf, met een tweede persoon als getuige - vaak een buurman of ook wel een willekeurig iemand die toevallig op het gemeentehuis aanwezig was. Ook werd het kind, in geval van een ongehuwde moeder, door de vroedvrouw, de moeder of de vader van het meisje ingeschreven, die dan aangaven bij de ‘verlossing’ aanwezig te zijn geweest, of dat de bevalling in hun huis had plaatsgehad. Huwelijksakten werden uiteraard door de betrokkenen en hun ouders, indien nog in leven, getekend, alsmede door vier getuigen. Vaak ziet men daar dezelfde namen van personen die vaak op het gemeentehuis waren, zoals veldwachter Derk Willems Dijk, of anderen die in de duurt woonden, zoals Haring Pekelder, de grofsmid of Meindert Sterenberg, de griffier. Overlijdensakten werden altijd getekend door twee naburen van de overledene. Zij hadden de nabuurplicht hun buurman of buurvrouw aan te geven. Wie dat niet deed kon daar zelfs voor beboet worden.
Er was maar een enkeling die een karakteristieke handtekening kon zetten, waaruit opgemaakt kan worden dat er schrijfonderwijs genoten was. Het mooiste voorbeeld uit de akten van Uithuizermeeden is die van Meindert Sterenberg, die dan ook griffier was, en heel wat akten met zijn prachtige handschrift had geschreven.




Een ander voorbeeld is de handtekening van Jonkheer Theodoor van Swinderen die op Rensuma woonde en jarenlang burgemeester van Uithuistermeeden was.

Ten aanzien van de huwelijksakten nog het volgende: tijdens de invoering van het Wetboek Napoleon in 1809 werd de meerderjarigheidsleeftijd op 23 jaar gesteld. Dat was een compromis tussen de 25 jaar, die volgens het Oud-Hollands-Romeins Recht tot die tijd werd aangehouden, en de 21 jaar uit de Napoleontische Code Civil. Deze Code Civil was van
1811-1838 van kracht. Tussen 1835 en 1905 hield het Burgerlijk Wetboek ook de leeftijd van 23 jaar aan. In 1905 werd de meerderjarigheidsleeftijd gesteld op 21 jaar. Deze leeftijdsgrens stond echter los van de wettelijke huwelijksleeftijd, die voor mannen 18 jaar was en voor vrouwen 16 jaar. Om echter te trouwen had men te de toestemming van de ouders nodig tot het 30e levensjaar.

Wat mijn grootvader SIMEN (Simens) KOOI betreft tenslotte nog het volgende. Zoals uit het bovenstaande overzicht blijkt, heeft hij gedurende drie jaar een aantal kwartalen onderwijs gevolgd. In 1882 ging hij het tweede, derde en vierde kwartaal naar school in Roodeschool (het eerste kwartaal ging zijn oudere zusje Etje); in 1883 ging hij het eerste, weede en derde kwartaal naar school (het vierde kwartaal ging zijn jongere zusje Pieterke); in 1884 ging hij het gehele jaar naar school (het derde en vierde kwartaal zijn zus Pieterke eveneens). Daarna was het afgelopen; hij was toen 10 jaar. Misschien lieten de financiën het niet toe, en moest hij naar de boer om te werken.

Opa Kooi overleed in 1970, 94 jaar oud - ik was toen 28 jaar en heb hem dus goed gekend. Hij was er trots op dat ik onderwijzer was geworden. Ik herinner me goed dat hij graag vertelde hoe hij had leren spellen. Het woordje ‘school’ was hem blijkbaar goed bijgebleven. De klas riep dan steeds in koor: ‘su-gu-hu-hoepeltje-hoepeltje-lu’, net zolang tot ieder wist hoe het op het leitje moest worden opschrijven.
Het is trouwens opvallend dat de handschriften van mijn grootvader, mijn grootmoeder en van mijn grootmoeder van moeders kant, zo op elkaar leken, ook al hadden ze ieder afzonderlijk op verschillende plaatsen in de provincie onderwijs genoten: een klein kriebelig handschrift. Dit in tegenstelling tot het handschrift van mijn grootvader van moeders kant
(opa de Vries), die een zwierig, van veel krullen voorzien, gedurfd handschrift was. Hij was daar duidelijk trots op. De enveloppen van de brieven die hij schreef waren kleine kunstwerkjes. Ik heb er nog vele van bewaard.

 



Siep Kooi - Wad bij Uithuizermeeden-Noordkaap - 2 juni 2008

_____________________________________________________________________________________________________________________________________

 

EEN VERONDERSTELLING

Het bovenstaande slaat op de meetbare, objectieve feiten. Veel stamboomonderzoek laat het bij namen en jaartallen, maar het is interessanter om te bedenken dat de zoektocht juist hier begint. Wie nauwkeurig een stamboom bestudeert, stuit al gauw op vragen en onduidelijkheden. We kijken dan door namen en jaartallen heen en proberen ons een beeld te vormen van de personage’s die zich daarachter schuilhouden.

Zo zette ik al vanaf het eerste moment vraagtekens bij het waarheidsgehalte van TAK I, de tak waarvan ik een loot ben. De schoen wringt meteen bij het begin: JAN PIETERS OOI.
Zijn ouders, Pieter Roelfs Kooi en Siepke Jans Siertsema hadden een boerenbedrijf, al moeten we ons daar, zoals we zagen, niet al te veel bij voorstellen. Pieter Roelfs had als arme dagloner, evenals zijn broers dat waren, met Siepke Jans op 16 januari 1803 een rijke partij getrouwd. Dat was een uitzondering! Siepke’s ouders, die landbouwers waren, hadden voor hun dochters enkele boerderijen op het oog. Het was gebruikelijk om als huwelijkspartner eveneens een boerenzoon te zoeken en zeker geen dagloner. Dagloners behoorden duidelijk tot een lagere kaste. Daartussen was nauwelijks verbinding, laat staan een verbintenis mogelijk. De vraag rijst dus: waarom trouwde Siepke Jans Siertsema beneden haar stand, maar stond er wel een boerderij klaar, waar die een stuk minder bedeelde Pieter Roelfs Kooi zomaar kon intrekken? Bovendien was er een geloofsverschil: de ouders van Siepke en daarom zij zelf ook, waren Doopsgezind, terwijl Pieter van Hervormde huize was, zoals de meesten op het Hoogeland.
Op 23 maart 1803, twee maanden na het huwelijk werd een zoon geboren, voor boeren een schot in de roos, omdat er nu niet alleen meteen al een opvolger voor het bedrijf was, maar ook een stamhouder! Het was de gewoonte dat deze stamhouder vernoemd werd naar de grootvader van vaderszijde - in dit geval: Roelf Pieters. De vermeende Roelf werd echter niet Roelf genoemd, maar JAN, naar de grootvader van moederszijde: Jan Sierts. Dit was hoogst ongebruikelijk en het blijft gissen waarom dat zo gebeurd is.
We mogen aannemen dat deze Jan Pieters Kooi een buitenbeentje was. Hij bleef niet, zoals zijn jongere broers op de boerderij werken, maar verhuurde zich als dagloner bij andere boeren. Soms was dat in het naburige dorp Oosternieland, maar ook in ‘t Zandt, waar hij na zijn huwelijk in 1823 met Ettje Alderts Meijer een aantal jaren woonde. Enkele van zijn kinderen werden daar geboren. Na verloop van tijd kwam hij weer terug en vestigde het gezin zich in een daglonershuisje aan de Greedeweg, niet ver van de Laanweg waar zijn ouders en zijn broers Siert en Lubbert, beiden vrijgezel, nog steeds op de boerderij woonden. Pas na het overlijden van moeder Siepke op 25 januari 1853 - ze werd 78 jaar (vader Pieter was enkele jaren eerder, in 1849, 78 jaar oud, overleden) - werd Siert de eigenaar van de boerderij.

Waarschijnlijk tot ieders verbazing trouwde Lubbert, nadat hij niet lang na ma Siepke’s overlijden naar Godlinze op vrijersvoeten ging en daar Trijntje Jensema had bezwangerd. Trijntje’s vader, Jacob Jurjen Jensema, was herenboer, dus dat zat wel goed. Ze trouwden op 13 september 1854, Lubbert 38 jaar, Trijntje een stuk jonger, 24 jaar. Drie maanden later, op 3 december 1854 werd hun eersteling Pieter Lubberts Kooi geboren.
Jan, als stamhouder, werd in alle opzichten gepasseerd. Hij had geen schijn van kans zich op de boerderij van zijn ouders een plaats te verwerven. Ik heb het idee dat dit door zijn moeder zoveel mogelijk werd tegengewerkt. Waarom? Mijn veronderstelling is dat Jan een voorkind van Siepke was, en wel van een man die wel een kind bij haar verwerkt had, maar haar daarna in de steek liet. Pieter Roelfs, de dagloner, werd voorgesteld de schande van het ongehuwde moederschap te verhullen. Hij zou wel gek geweest zijn als hij dat niet had gedaan. Het kind van de schande zou dit zijn hele leven met zich moeten meedragen.

Als mijn vermoeden juist is, komt het waarheidsgehalte van een groot deel van de nakomelingen van TAK I op losse schroeven te staan. TAK I valt uiteen in twee zijtakken: Die van JAN PIETERS KOOI en LUBBERT PIETERS KOOI.

De vier zoons van Jan Pieters (hij kreeg 8 kinderen), die in 1823 met Etje Alderts Meijer trouwde: (ROELF JANS - 1828, SIEMEN JANS - 1831, SIERT JANS - 1834, PIETER JANS - 1847) zorgden voor een wijdvertakte schaar nakomelingen.

Roelf Jans trouwde, 25 jaar oud, met Aafke Balkema. Hij kreeg zeven kinderen, van wie drie zoons dit deel van de stamboom zouden voortzetten. De volgende: Simen Jans trouwde, 21 jaar oud, met Kornelske Blok en, 37 jaar oud, met Wilhelmina bij ‘t Werk (voor wie het ook haar tweede huwelijk was). In totaal kreeg hij elf kinderen, van wie drie zoons dit deel van de stamboom zouden voortzetten. De derde: Siert Jans trouwde, 20 jaar oud met Lijzabet (ook wel Janna) Oosterman. Behalve een ‘voorkind’ kreeg hij zes kinderen, van wie er een zoon die waarschijnlijk dit deel van de stamboom zou voortzetten. Zeker is dit niet. Na haar tweede huwelijk met Berend Noordhuis emigreerde Lijzabeth naar Amerika - haar zoon Siert ging met haar mee.
De laatste tenslotte: Pieter Jans trouwde, 28 jaar oud met de negentienjarige Anje Buurman en, 44 jaar oud, met Anneke Veldman (voor wie het haar derde huwelijk was). In totaal kreeg hij tien kinderen, van wie drie zoons die dit deel van de stamboom voortzetten.

Het plaatje bij de drie zoons van Lubbert Pieters Kooi (hij kreeg 8 kinderen), die pas in 1854 met Trijntje JACOBS JENSEMA trouwde, zie er heel anders uit: (PIETER LUBBERTS - 1854, JACOB LUBBERTS - 1858, JAN LUBBERTS - 1870).
Pieter Lubberts trouwde pas toen hij 43 jaar oud was, met Grietje Pruim (23 jaar). Hij kreeg drie kinderen, allen zoons (de oudste was een voorkind van Grietje), die weliswaar als enige trouwde, maar hij kreeg slechts een dochter). Pieter en zijn gezin emigreerde vlak na zijn huwelijk naar Amerika. De volgende: Jacob Lubberts trouwde, 25 jaar oud, de herbergierster Grietje Doornbos. Zij was een weduwe van 38 jaar oud, maar zij overleed vier jaar later. Zij kregen twee kinderen: een zoon en een dochter. De zoon bleef kinderloos. De laatste: Jan Lubberts werd onerwijzer. Hij trouwde, 25 jaar oud, met Idalina Werkman en kreeg zeven kinderen van wie drie zoons dit deel van de stamboom zouden voortzetten.

TAK I bestaat dus, behalve uit enkele nakomelingen van JAN LUBBERTS KOOI, voornamelijk uit nazaten van JAN PIETERS KOOI, die echter als mijn veronderstelling juist is, waarschijnlijk geen Koois zijn. Tot voor kort was het niet mogelijk om dat met bewijzen te staven. Vandaag de dag kan dat wel: er is een manier om erachter te komen of Jan Pieters werkelijk een zoon was van Pieter Roelfs Kooi en Siepke Jans Siertsema en dat is DNA- onderzoek. Concreet zou dit betekenen dat via een analyse van het wangslijm een DNA- profiel wordt opgesteld: in dit geval zou het dan gaan om het Y-DNA, omdat vaders het Y- chromosoom onveranderd aan hun zonen doorgeven. Een nakomeling van Jan Lubberts (TAK I), of iemand van TAK III of IV zou dat dan ook moeten doen om te kunnen vaststellen of Roelf Pieters van hun beiden de ‘oervader’. Als dat zo is dan is Jan Pieters een natuurlijke zoon van Pieter Roelfs en Siepke Siertsema en behoren zijn nakomelingen tot de familie Kooi.
Op het punt van het DNA-onderzoek ligt er echter meteen een beperking vanwege het mannelijke Y-chromosoom. Zoals zo even kort is aangegeven, vertoont TAK IV een uitzonderlijk patroon. De nazaten in deze tak zijn immers al vanaf de vierde generatie geen Koois! Wie vanuit deze tak zijn DNA-profiel zou laten onderzoeken komt nooit bij Roelf Pieters uit. De aanvankelijk smalle lijn verliep niet via een vader, maar via een moeder: Hilje Sijmens Kooi, die haar zoon Siemen Roelfs Kooi noemde, naar haar vader. Uit Hilje Kooi ontwikkelde zich TAK IV. Dat betekent dat TAK IV voor ons chromosoom-onderzoek afvalt.

Wat de moeilijkheden rond TAK IV betreft: was Hilje getrouwd met de verwekker van haar kind, dan had Siemen Roelfs Kooi geen Siemen Roelfs Kooi geheten, maar had hij een andere familienaam gekregen, evenals zijn nakomelingen. Tak IV was dan op dat moment afgestorven. Het voortbestaan van TAK IV is dus te danken aan een vrouw: een uitzonderlijke voortgang van dat deel van de stamboom. Nu is het bij enkele nazaten in TAK IV een publiek geheim dat de geheimzinnige verwekker met naam en toenaam bekend is. Hilje zou indertijd namelijk bezwangerd zijn door Alje Jacobs Boelema, schoenmaker uit Uithuizermeeden (mondelinge mededeling op 6 februari 2008 van Abel Kooi uit Wijchen).
Deze Alje Boelema verkoos er niet voor Hilje te trouwen, maar haar nicht Wobge Willems Dijk, die in ongeveer dezelfde tijd ook zwanger van hem was geworden.
Hilje beviel, zoals we nog zullen zien, op 12 september 1840 van een zoon: Siemen Roelfs Kooi. Wobge beviel een maand later, op 15 oktober 1840 eveneens van een zoon die zij Jacob noemde, Jacob Dijk. De keuze voor Jacob als voornaam zegt genoeg - Alje’s vader heette immers zo. Het zou echter toch nog tot 13 februari 1841 totdat Alje de moed had dit kind als het zijne te erkennen en met Wobge te trouwen. Om onbekende redenen duurde het daarna nog maanden tot de kleine Jacob werd gedoopt (4 april 1841).
Tijdens hun huwelijk kreeg Wobge van Alje nog twee kinderen: Willem Boelema, geboren op 2 oktober 1843 en Anje Boelema, geboren op 5 maart 1846. De bevalling van het laatste kind overleefde Wobge echter niet. Zij stierf een dag later, op 6 maart 1846 om 3 uur, in het kraambed. Overigens was de kleine Anje ook geen lang leven beschoren. Zij overleed
op 1 februari 1847, elf maanden oud. Alje Boelema hertrouwde dik een jaar later op 17 mei 1848 met Jantje Frederik Lammerts uit Leens.
(Tussen haakjes: men zou het waarheidsgehalte van deze geschiedenis verhaal ook via DNA- onderzoek kunnen nachecken: het gaat dan om een vergelijking van het nageslacht van een van de zoons van Wobge en Alje en dat van iemand van Kooi TAK IV).

Voor de goede orde: het verhaal van Alje Boelema gaat nog veel verder. Zo rond 1843 begon hij de omgeving weer onveilig te maken. Een van zijn ‘slachtoffers’ was Trijntje Jans Kooi (een lid van de andere Kooi-familie). Zij raakte zwanger van een onbekende man. Op 20 juli 1844 beviel zij van een zoon, die zij met veel gevoel voor dramatiek Alje Jakobs Kooi noemde. Een duidelijker bewijs dat Alje Jakobs Boelema de vader was, is er niet. Alje heeft later ook dit kind als het zijne erkend, zo was hij ook wel weer, al was hij met Wobge Dijk getrouwd.
Trijntje trouwde enkele jaren later, in 1855 met Frikke Molag. Haar zoon Alje Kooi trouwde in 1874 met Siepke Ausema en vier jaar later, in 1878 met haar zuster Martje Ausema. Van deze familie zijn hierboven enkele gegevens betreffende de schoolgelden gegeven.

Ook Hilje raakte weer zwanger van een onbekende man. Het zou kunnen zijn dat zij weer voor Alje’s charmes was gevallen. Misschien ook niet. Zeker is dat dit niet meer is na te gaan. Hilje beviel twee maanden na Trijntje van een dochter en vernoemde haar naar haar moeder: Antje Roelfs Kooi. Antje overleed acht maanden later op 3 mei 1845. Voor Hilje was dit blijkbaar zo traumatisch dat ze dit niet verwerken kon en een week later, op 10 mei 1845, een einde aan haar leven maakte door zich in een regenput te verdrinken (eveneens mondelinge mededeling van Abel Kooi).

Het 'verhaal van' Hilje Kooi staat overigens niet op zichzelf. Er is in deze stamboom nog een tweede 'vrouwelijke lijn' te bespeuren, die, zoals achteraf zal blijken, een belangrijke bijdrage levert tot het voortbestaan en de continuïteit van het geslacht Kooi. Grietje Siemens Kooi (geboren op 8 juli 1855; overleden op 9 mei 1932, 75 jaar) had twee 'voorkinderen':
de eerste, Simon (ook Simen) Kooi, overleed op tweejarige leeftijd,
de tweede, Klaas Kooi (geboren op 19 januari 1881), kwam na veel omzwervingen als mijnwerker in Zuid Limburg terecht en zorgde daar voor nakomelingen. Al trouwde Grietje in 1890 met Germt Hollander (een huwelijk dat overigens kinderloos bleef), Klaas behield de achternaam van zijn moeder. Het opmerkelijke gevolg daarvan is dat op dit punt het geslacht Kooi zich voor het eerst uitstrekt tot de tiende generatie en wel met vijf nazaten van Grietje Kooi.
De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat haar vader: Siemen Jans Kooi (mijn overgrootvader) twee maal in het huwelijk trad. Grietje's moeder was Kornelske Pieters Blok (Siemen was 24 jaar in 1855). Grietje was de eerste Kooi uit het gezin met nakomelingen die de naam Kooi droegen. De laatste Kooi uit dit gezin met nakomelingen die de naam Kooi droegen was mijn grootvader: Simen Siemens Kooi. Hij was een zoon uit het tweede huwelijk van Siemen Jans Kooi, en wel met Wilhelmina bij 't Werk en werd geboren op 25 september 1875 (Siemen was toen 44 jaar). De twintig jaren tussen Grietje en haar halfbroer Simen maken dus een wereld van verschil, of te wel een hele generatie!
Acht jaar later, in 1883, beviel Wilhelmina bij 't Werk overigens van een laatste kind, dat de naam Wilhelmina (ook Willemina) meekreeg (zij zou later met Martinus Scherer trouwen). Moeder Wilhelmina was toen 45 jaar.

Men kan dus met recht concluderen dat de genealogie van het geslacht Kooi op veel punten een smalle basis heeft, maar niet alleen het fundament is zwak. Na aanvankelijk sterke vertakkingen is het geslacht - we schrijven 2010 - niet echt wijdvertakt. De stamboom laat daarvan feilloos het verloop zien: veel mannelijke nakomelingen kregen alleen maar ochters, anderen bleken niet erg trouwlustig en bleven alleen - geen garanties voor het ontwikkelen van een sterk geslacht. We koesteren hoge verwachtingen van de volgende twintig nakomingen van de familie Kooi!



- GEN 8 -TAK I: 4. David Jan Edward Kooi (3 juli 1992) in 2010: 18 jaar,

- GEN 8 -TAK I: 5. Olivier Bertram Jurrien Kooi (20 juni 1996) in 2010: 14 jaar,

- GEN 8 -TAK I: 7. Martijn Kooi (27 juli 1989) in 2010: 21 jaar,

- GEN 8 -TAK I: 8. Guus Kooi (28 februari 1994) in 2010: 16 jaar,

- GEN 8 -TAK III. 11. Eltjo Kooi, in 2010 (13 september 1991) 18 jaar.

- GEN 8 -TAK III: 12. Derk Pieter Kooi (8 augustus 1993) in 2010: 17 jaar,


- GEN 9 -TAK I: 1 en 2. Sjaak en Bennie Kooi (* 26 maart 1983) in 2010 : 27 en 25 jaar,

- GEN 9 -TAK III: 3. Sander Kooi (* 11 februari 1985) in 2010: 19 jaar,

- GEN 9 -TAK III: 4. Quincet Kooi (* 11 april 2004) in 2010: 6 jaar,

- GEN 9 -TAK III: 5. Patrick Kooi (* 4 mei 1990) in 2010: 20 jaar,

- GEN 9 -TAK III: 6. Kevin Kooi (* 25 juni 1992) in 2010: 18 jaar,

- GEN 9 -TAK III: 7. Maurice Kooi (* 27 oktober 2002) in 2010: 8 jaar,

- GEN 9 -TAK IV: 8. Ronald Kooi (* 18 januari 1998) in 2010: 12 jaar,

- GEN 9 -TAK IV: 9. Leon Kooi (* 15 november 2001) in 2010: 9 jaar,


- GEN 10 - TAK I: 1. Rik Kooi (* 16 april 1999) in 2010: 11 jaar,

- GEN 10 - TAK I: 2. Tijn Kooi (* 17 juli 2002) in 2010: 8 jaar,

- GEN 10 - TAK I: 3. Finn Kooi (* 25 augustus 2005) in 2010: 5 jaar,

- GEN 10 - TAK I: 4. Quinten Kooi (* 8 november 2007) in 2010: 3 jaar,

- GEN 10 - TAK I: 5. Olivier Kooi (* 30 december 2009) in 2010: 1 jaar.



Wad Uithuizermeeden - 2 oktober 2008

______________________________________________

 

Siep (Simen) Kooi
(geboren in 1941)
Bonairepier 21
1339 KG Almere
036-5336900

email: siepkooi@les4vents.nl

www.les4vents.nl

 

Siep Kooi - Terschellinger wad - februari 2004